Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen.

Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen.Psalm 130:6
Adventsverwachting
Wij leven weer in de adventsweken. Het zijn de weken, waarin de Kerk gedenkt de tijd van verwachten, die voorafging aan de komst van Gods Zoon in het vlees. Toen Adam zich in het paradijs heeft losgescheurd van God scheen het menselijk geslacht geen toekomst meer te hebben. Slechts de drievoudige dood, die God als straf op de zonde gedreigd had, scheen ons te wachten. Toen heeft het God echter behaagd het ondoorgrondelijk en eeuwig welbehagen te openbaren, dat Hij van eeuwigheid gehad heeft in een gevallen mensengeslacht. Daar klonk de belofte van het komende Zaad der vrouw, de moederbelofte, de bevende mens in de oren: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad; Datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult Het de verzenen vermorzelen”. Wonderlijk toch, geliefden, dat Gods Zoon toen niet aanstonds gekomen is! Het heeft nog zo'n vierduizend jaar geduurd eer dit woord uit het paradijs vervuld was. Dit deed de Heere om Zijn Kerk te oefenen in het leven des geloofs, in het hopen op Zijn woord. Zeker, dat had de Heere anders kunnen doen. Maar het heeft Hem behaagd het zó te doen, en hierin blinkt Zijn wijsheid het meest uit. Denk niet, dat Gods oude Kerk in de vierduizend jaren van adventsverwachting alleen uit die ene moederbelofte heeft moeten leven! O nee, de Heere heeft de belofte gedurig vernieuwd. Als flonkerende sterren staan de profetieën van Christus' geboorte in het Oude Testament. Velen van Gods kinderen, vooral Jesaja, maar zelfs ook goddelozen als Bileam hebben moeten dienen om te profeteren van Zijn komst. En weet u wat nu zo wonderlijk is? Hoe dichter het ogenblik van de geboorte van de Beloofde der vaderen naderbij kwam, des te onmogelijker werd het! Donkerder en donkerder werd het in Juda; het volk zuchtte onder het Romeinse juk; Davids koningshuis was een vervallen hut geworden. En niemand verstond dat ook dát door de Heere voorzegd was: zou het Rijsje niet voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï? Zó donker werd het ten laatste, dat zelfs de profetie ging zwijgen, vierhonderd jaren lang na Maleachi, zodat de Kerk moest klagen:
Niet één profeet is ons tot troost gebleven;
Geen sterv'ling weet, hoe lang dit duren zal!
Toch was er altijd nog een volk in Israël, dat zonder Hem, Die in het paradijs was beloofd, niet leven en niet sterven kon. In het hart van dat volk leefde menigmaal de verzuchting, die boven deze overdenking geschreven staat. Hoe konden de wachters oudtijds op de stadsmuren uitzien naar de morgen; wat duurde de nacht lang! Zó is er echter nog een volk op aarde, dat in de levende adventsverwachting uitziet naar de Beloofde. O, gezegend ogenblik, als in het hart van een door Gods wet aan zichzelf ontdekte ziel, die zich buiten God gevoelt, de belofte van de komende Morgenster wordt geopenbaard! Daar wordt het advent. Daar daagt de dag der verlossing. Echter, het is nóg nacht. De vertroosting Israëls wordt daar met Simeon en met Anna wel verwacht, maar och, zij is de ónze nog niet. Geliefden, kent u iets van dat wachten op Hem? Bent u erachter gebracht, dat u nog buiten Hem leeft en daarom rampzalig, nee, niet wordt, maar bent! Sloeg de hoge God Zelf reeds alles waarop u uw hoop gebouwd had uit de handen? Verstaat u al, dat buiten die beloofde Christus geen leven is? Zo Hij nog vertoeft, verbeid Hem dan; Hij zal gewisselijk komen. Of leeft u nog rustig door in uw koude en dode godsdienstigheid, netjes goddeloos? Ach, beef dan. Buig dan uw knieën. Smeek of God u de rust opzegt. Straks is er geen tijd meer, dan wordt het voor eeuwig nacht. Dan zult u wel uitzien naar licht, maar God zal het stellen tot duisternis. Verlaat dan de zonde, haast u, spoed u om uws levens wil!
Ds. A. MoerkerkMijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen.

Psalm 130:6

Adventsverwachting

Wij leven weer in de adventsweken. Het zijn de weken, waarin de Kerk gedenkt de tijd van verwachten, die voorafging aan de komst van Gods Zoon in het vlees. Toen Adam zich in het paradijs heeft losgescheurd van God scheen het menselijk geslacht geen toekomst meer te hebben. Slechts de drievoudige dood, die God als straf op de zonde gedreigd had, scheen ons te wachten. Toen heeft het God echter behaagd het ondoorgrondelijk en eeuwig welbehagen te openbaren, dat Hij van eeuwigheid gehad heeft in een gevallen mensengeslacht. Daar klonk de belofte van het komende Zaad der vrouw, de moederbelofte, de bevende mens in de oren: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad; Datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult Het de verzenen vermorzelen”. Wonderlijk toch, geliefden, dat Gods Zoon toen niet aanstonds gekomen is! Het heeft nog zo'n vierduizend jaar geduurd eer dit woord uit het paradijs vervuld was. Dit deed de Heere om Zijn Kerk te oefenen in het leven des geloofs, in het hopen op Zijn woord. Zeker, dat had de Heere anders kunnen doen. Maar het heeft Hem behaagd het zó te doen, en hierin blinkt Zijn wijsheid het meest uit. Denk niet, dat Gods oude Kerk in de vierduizend jaren van adventsverwachting alleen uit die ene moederbelofte heeft moeten leven! O nee, de Heere heeft de belofte gedurig vernieuwd. Als flonkerende sterren staan de profetieën van Christus' geboorte in het Oude Testament. Velen van Gods kinderen, vooral Jesaja, maar zelfs ook goddelozen als Bileam hebben moeten dienen om te profeteren van Zijn komst. En weet u wat nu zo wonderlijk is? Hoe dichter het ogenblik van de geboorte van de Beloofde der vaderen naderbij kwam, des te onmogelijker werd het! Donkerder en donkerder werd het in Juda; het volk zuchtte onder het Romeinse juk; Davids koningshuis was een vervallen hut geworden. En niemand verstond dat ook dát door de Heere voorzegd was: zou het Rijsje niet voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï? Zó donker werd het ten laatste, dat zelfs de profetie ging zwijgen, vierhonderd jaren lang na Maleachi, zodat de Kerk moest klagen: 
Niet één profeet is ons tot troost gebleven;
Geen sterv'ling weet, hoe lang dit duren zal!
Toch was er altijd nog een volk in Israël, dat zonder Hem, Die in het paradijs was beloofd, niet leven en niet sterven kon. In het hart van dat volk leefde menigmaal de verzuchting, die boven deze overdenking geschreven staat. Hoe konden de wachters oudtijds op de stadsmuren uitzien naar de morgen; wat duurde de nacht lang! Zó is er echter nog een volk op aarde, dat in de levende adventsverwachting uitziet naar de Beloofde. O, gezegend ogenblik, als in het hart van een door Gods wet aan zichzelf ontdekte ziel, die zich buiten God gevoelt, de belofte van de komende Morgenster wordt geopenbaard! Daar wordt het advent. Daar daagt de dag der verlossing. Echter, het is nóg nacht. De vertroosting Israëls wordt daar met Simeon en met Anna wel verwacht, maar och, zij is de ónze nog niet. Geliefden, kent u iets van dat wachten op Hem? Bent u erachter gebracht, dat u nog buiten Hem leeft en daarom rampzalig, nee, niet wordt, maar bent! Sloeg de hoge God Zelf reeds alles waarop u uw hoop gebouwd had uit de handen? Verstaat u al, dat buiten die beloofde Christus geen leven is? Zo Hij nog vertoeft, verbeid Hem dan; Hij zal gewisselijk komen. Of leeft u nog rustig door in uw koude en dode godsdienstigheid, netjes goddeloos? Ach, beef dan. Buig dan uw knieën. Smeek of God u de rust opzegt. Straks is er geen tijd meer, dan wordt het voor eeuwig nacht. Dan zult u wel uitzien naar licht, maar God zal het stellen tot duisternis. Verlaat dan de zonde, haast u, spoed u om uws levens wil!

Ds. A. Moerkerken