Het heil is des Heeren.

Psalm 3 : 9 a

Kan dat, rustig slapen terwijl de vijanden je naar het leven staan? Dat kan. We lezen het hier in deze Psalm. David moest vluchten voor Absalom. Zijn eigen zoon was tegen hem in opstand gekomen en stond hem naar het leven. Ach, het was mede zijn eigen schuld, dat hij in zulke moeilijke omstandighe­den gekomen was. Na zijn zonde met Bathséba had Nathan namens de Heere tot hem gezegd, dat het zwaard van zijn huis niet zou wijken. Dat wordt hier op aangrijpende wijze waar. Het kan niet anders, we weten het ook uit zijn psalmen, maar David heeft hier zijn eigen zonde gezien. De vijanden, zijn eigen volk onder leiding van zijn eigen zoon, staan tegen hem op, ze staan hem naar het leven. Overal om hem en in hem hoort hij het: Hij heeft geen heil bij God. O, als de dood hem zou wegslepen, het zou rechtvaardig zijn. Maar in die nood vlucht hij tot de Heere, klemt hij zich vast aan de God van het verbond, Die hem een Schild is waarachter hij kan wegschuilen. Hij weet geen andere weg dan roepen tot die God. Wat is het voor hem een wonder geworden, dat hij niet tever­geefs heeft geroepen, maar dat de Heere naar hem hoorde. David mocht rust vinden in zijn God. Ondanks zijn zonde en schuld. Dat is het wonder van genade. Daarvan zingt deze Psalm. Daarom kon hij rustig slapen terwijl de vijanden op hem aankwamen. Hij lag en sliep gerust, van 's Heeren trouw bewust. Wat een heilgeheim. Mag u het ook kennen? Rusten in God, terwijl alle omstandigheden tegen schijnen. Rusten in God, als u achter de Heere aan mag ko­men en u aan Hem mag toevertrouwen, zelfs in de moeilijkste omstandigheden. Daar mag David zijn in deze Psalm. Dat is het wonder van Gods genade, geschonken aan mensen, die het totaal verzondigd hebben.
Aan het eind van de Psalm vat David het samen als hij het zegt: Het heil is des HEEREN. Hij gebruikt hier de naam HEERE. Dat is Gods heerlijkste naam. Hij is de IK ZAL ZIJN DIE IK ZIJN ZAL. Dat wil zeg­gen, dat Hij de Onveranderlijke is, de God van het verbond, Die nooit laat varen het werk, dat Zijn hand begon. Daar mag David in al zijn nood zich aan vast­klampen. Hij is met die God niet beschaamd uitgekomen. En niemand van Gods kinderen. Ze zullen eeuwig zingen van het wonder van Zijn trouw tegen­over al hun ontrouw. Welgelukzalig is het volk welks God de HEERE is!
Het heil is van die God. Het heil, dat is heel de za­ligheid, de verlossing van het grootste kwaad en het brengen tot het hoogste goed. In het woord heil zit eigenlijk het woord Jezus. Hoe zouden we over heil kunnen spreken zonder over Jezus te spreken? Da­vid heeft de komende Zaligmaker van verre gezien in de offers en de ceremoniën van Gods heiligdom. Alleen in Christus is er zaligheid voor diep verloren mensen. Dat was onder het Oude Testament zo, dat is nu nog zo. Is die Jezus u dierbaar, noodzakelijk geworden? Dan werd u het waardig door de Heere voor eeuwig verstoten te worden vanwege uw zon­den. Dan kon de Heere u geen kwaad meer doen als Hij u naar recht zou wegdoen van voor Zijn Aange­zicht. Maar dan is het Evangelie ook opengegaan voor uw schuldige ziel toen er aan uw kant niet an­ders overbleef dan nood en dood en schuld. Toen het licht viel op Christus, zoals Hij Zich in het Evangelie openbaart, wat werd die Zaligmaker u toen dierbaar. U dan, die gelooft, is Hij dierbaar. Mag u er amen op zeggen? Dat is noodzakelijk, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.
De boodschap komt nog tot u, dat in Hem alle heil en zaligheid is. Christus wordt u nog voorgesteld als een algenoegzame, gewillige en beschikbare Zalig­maker. In Hem is het leven voor schuldigen, in Hem is heil voor onheiligen, in Hem is genade voor men­sen, die de eeuwige dood hebben verdiend. Zoek het toch buiten u, alleen in Hem. Want het heil is des HEEREN.


Ds. J.J. van Eckeveld