Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt

1 Johannes 17 : 3

Wat is het eeuwige leven? Het is het heil en de gelukzaligheid. Daarvan leest men in Daniël 12 : 2: 'En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, de- zen ten eeuwigen leven...' Jezus legt het zo uit: 'En dit is de wil Desgenen, Die Mij ge- zonden heeft, dat een iegelijk die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwi- ge leven hebbe:' En: 'Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven'. Dat is het heil, dat Jezus aanbrengt, verkondigt en verdient en dat Hij Zijn kinderen geeft. Hij schenkt het hun reeds in dit leven en volvoert het als Hij hen overbrengt in de eeuwige zalig- heid. Het wordt 'een eeuwig leven' genoemd, omdat het een onverwelkelijke erfenis is, een onvergankelijk zaad.
Het wordt leven genoemd omdat het is het gehele leven van de mens. Want al wat hij heeft, zal hij geven voor zijn leven. Maar ook omdat de mens door dit leven op een andere manier leeft dan tevoren. Daarom wordt er ook gesproken over 'een nieuw schepsel:' Dat betekent niets anders, dan dat de mens aan zichzelf sterft en voor God leeft. 'Houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Heere:' Opdat degenen die leven niet meer zichzelf zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is. Zo staat er van Timótheüs, dat hij 'een mens Gods' geworden was. 'Hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.' Immers, wie niet voor de Heere leeft, die is levend gestorven. Het is als met een mens, die alleen zijn eigen zaken doet en niet voor het algemeen belang leeft; dan is hij burgerlijk dood!
Het leven, waarvan in onze tekst gesproken wordt, wordt in de mens gewerkt door de genade van de Heilige Geest. Het wordt vermeerderd door het Woord en de Geest en het zal zich uitspreiden en uitstrekken tot in eeuwigheid. Die van dit water drinkt, die zal nimmermeer dorsten. Het voedsel van dit leven is de oefening daarvan.
Waarin bestaat dit leven? Let dan op het Voorwerp van deze kennis, die het eeuwige leven is. Het Voorwerp van deze kennis is God en Jezus Christus. Behalve om de kennis van God gaat het over de kennis van Jezus Christus. 'En in Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt'. Buiten Hem is God een verterend vuur, maar door Jezus hebben wij een vrijmoedige toegang tot God. Daarom zegt Paulus niets anders te willen weten, dan Jezus Christus en Die gekruisigd. Maar wij moeten Hem kennen als één Jezus en als één Christus. Laat ons zien welke kennis hier bedoeld wordt. Het is geen letterkennis, die men maar alleen uit de boeken haalt. Want men hoort soms met verbaasdheid,  dat goddeloze mensen de Schrift op hun duimpje kennen. Maar dit is de ware kennis niet, zolang wij geen hart hebben om God te behagen. Het is waar, men moet zich ijverig oefenen in het Woord. Maar wanneer men daarop vertrouwt en daarin zijn heil stelt, laat God de mens soms wel zo heengaan in zijn eigen weg.
De kennis waarover hier gesproken wordt, is een kennis die God uit de hemel geeft. Zij is voor de wijzen en verstandigen verborgen, maar de Heere openbaart ze aan Zijn kinderen. Het moet van de hemel komen en van de Vader gehoord worden. Daarom staat er: 'En al uw kinderen zullen van de Heere geleerd zijn en de vrede uwer kinderen zal groot zijn'.
Deze kennis komt door een licht van Boven. Tot dat licht kan een mens als zodanig niets toedoen, want het is als het opgaan van de zon. Het is niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. De vrijmachtige God geeft het aan wie het Hem belieft en behaagt.
Deze kennis bestaat in een gezegende bevinding van Gods eigenschappen; in het proeven en smaken dat God goed is. Het is een gewaarwording van de Goddelijke glans, van Gods majesteit en waardigheid. Dit wordt in de ziel ondervonden. Zoals het voedsel van de spijs gevoeld wordt, zo deelt de Heere Zichzelf mee en doet Hij gevoelen wat Hij is.
Laat ons toch trachten deze geestelijke kennis te verkrijgen! O, dit is het eeuwige leven! U wilt graag zalig worden? Wel, wat denkt u dan toch van de hemel? Hoe meent u dat het daar is? Denkt u, dat u in de hemel zo maar uw eigen dingen kunt doen en zo gemakkelijk leven? Het is waar, u vloekt niet en u doet niemand kwaad. Maar als men bij elkaar is en onder vrienden, dan moet men toch meedoen als anderen. Maar hoe komt men dan hiernamaals in de hemel? Hier op de aarde moest men al in de hemel zijn. Allen die zeggen: 'Wijkt van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust', deze mensen willen immers de gelukzaligheid niet!
U vraagt wellicht: 'Ja, maar hoe komt men dan aan deze kennis? Zij is in een diepe kuil en voor ons verborgen.' Er zijn middelen die de Heere wil, dat wij vlijtig zullen gebruiken. Doe weg alles wat u verhindert; in het bijzonder uw eigen gedachten over de zaligheid, die het meest daarin bestaan, dat u uzelf een goed belooft, dat u nog niet hebt. Leer nu eens te verstaan, dat men God liever moet hebben dan zichzelf.

Ds. Jodocus van Lodenstein (1620-1677)