Hij roept u.
Markus 10 : 49b
Geroepen tot het Licht
Bartiméüs was in tweeërlei opzicht blind. Met zijn natuurlijke ogen kon hij geen voorwerpen zien, noch kleuren onderscheiden. Voor iemand die zien kan, is het niet voor te stellen wat het is altijd in de duisternis te verkeren; altijd nacht om je heen. Als we ouder worden neemt vaak het gezichtsvermogen af. Het lezen wordt moeilijker. Maar helemaal niet meer te kunnen zien, dat is heel erg. Geen kleuren meer te onderscheiden; iemands gezicht niet meer te kunnen zien. Maar wat veel erger is, is als we geestelijk blind zijn. Dat was Bartiméüs ook. Dat zijn we van nature allemaal. Dat is veel erger. Blind voor onze geestelijke kwaal waarmee we reizen naar de eeuwigheid. Blind voor de werkelijkheid van ons leven. Blind voor onze blindheid. Want dat wil zeggen zonder God op de wereld te zijn, zonder hoop, zonder toekomst en straks bij het sterven weg te zinken in een eeuwige duisternis. Misschien wel gedacht dat we zagen. Misschien ons wel beroemd op onze kennis en op ons licht in Gods Woord. Toch blind. God niet kennen, onszelf niet kennen. Niet beseffen hoe ongelukkig en ellendig we zijn. Bartiméüs wist dat hij blind was. Hij was een blinde zoon van een blinde vader. Zou Hij geweten hebben van de profetie van Jesaja: Alsdan zullen der blinden ogen opengedaan worden, en der doven oren zullen geopend worden (Jes. 35:5)? Hij erkent Jezus als de Zoon van David. Een veel gebruikte aanduiding voor de beloofde Messias. Hij vlucht tot Hem om genezen te worden.
Weet u ook dat u blind bent? Is dat u bekend gemaakt door de Heilige Geest? Dan weten we ook iets van het toevluchtnemen tot Hem, want Wie is machtig om te verlossen en genezing te schenken, dan Hij alleen? Wie kan het Licht doen opgaan in onze duistere harten, dan Hij, Die het Licht der wereld is? Riep u reeds uit de diepte van uw verlorenheid: “Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner”?
Wat een wonder van genade betoont de Heere aan deze arme stumper, die elke dag zat te bedelen aan de weg van Jericho. Zelf kan hij tot Jezus niet gaan. Op de weg zou hij verdwalen. Maar nu komt Jezus Zelf voorbij en laat hem roepen om tot Hem te komen. Daar maakt de Heere Jezus hem ziende. De schepping wordt voor hem als een schoon boek, maar wat onein¬dig belangrijker is: hij wordt door goddelijke genade geroepen tot het Licht en volgt Jezus.
De omstanders willen hem tegenhouden. Dat verhindert hem niet om met des te meer kracht te roepen. Hij moet genezen worden. Er kunnen veel ophouders zijn op de weg naar Jezus. De duivel zit niet stil om die arme uitziende zielen tegen te staan en hen toe te voegen: Gij hebt geen heil bij God. Uw zonden zijn te groot dan dat ze vergeven worden. De binnenpraters vermenigvuldigen zich en willen ons doen geloven dat alle mensen zalig kunnen worden, maar voor mij kan het niet. Zolang gezondigd en zolang God tegengestaan. En hoe zal die Heilige met mij, zo’n onheilige, gemeenschap kunnen hebben? Zou je de moed maar niet opgeven? Toch kunnen ze God niet loslaten. Ze roepen des te meer.
Wat een wonder als de Heere zo’n blinde gaat leiden door een weg die ze niet geweten hebben en vanuit Zijn Woord door de bediening van de Geest gaat onderwijzen: “Heb goede moed, sta op, Hij roept u.” Hij, de Zoon van God, roept mij, arme zondaar? Maar dan komen ze zoals ze zijn. Alles wat kan verhinderen om tot Jezus te komen, wordt afgeworpen. Zoals deze blinde zijn mantel afwierp. Nee, dan zijn er geen verhinderingen meer. Dan maakt de Heere een vlak veld.
Daar aan de voeten van Jezus krijgt hij zijn wens vervuld. Eerst gaat de Heere hem beproeven en vragen waarom het hem te doen is, opdat maar zal blijken dat het waarheid is in het binnenste. Maar zie, daar spreekt Hij, Die machtig is blinden het gezicht te geven: “Ga henen, uw geloof heeft u behouden.” Dan vallen de schellen van de ogen af en Bartiméüs ziet. Dan vallen de schellen van de ogen af en ziet die geestelijk blinde zondaar Jezus. Hij ziet Hem, de schoonste van alle mensenkinderen. Hij ziet Hem, Die blank en rood is en de banier draagt boven tienduizend. En Hij volgt Jezus. Hebt u Hem zo al eens gezien? Hem mogen aanschouwen als de Zaligmaker van zondaren en hebt u Hem leren volgen waar de weg ook heengaat? Onmogelijk, zegt u, in eigen kracht. Ja, dat is waar. Maar bidt dan maar: Trek mij, en wij zullen U nalopen.
De roepstem komt tot ons allen: Hij roept u. Hebt u/heb jij die roepstem al gehoord? Ja, natuurlijk heb je die gehoord. Maar heb je er ook gehoor aan gegeven? Of laten we Hem maar roepen? Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden!
Ds. W. Silfhout