Mij zal niets ontbreken
Psalm 23 : 1b
Gods kinderen zullen onder de herderlijke zorg van hun Herder Jezus Christus geen gebrek hebben, noch lichamelijk, noch ten aanzien van het geestelijke. Hierop ziet de belofte: "Zoekt eerst het koninkrijk Gods, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden." Onder "al deze dingen” verstaat de Heere Jezus: spijze, drank, kleding en wat het lichaam verder nodig heeft. Noach, Elia en Daniël zijn enkele getuigen van die waarheid van Gods Woord. God zorgt in de natuur voor alle redeloze schepselen, hoeveel te meer voor Zijn lieve kinderen. "Wie bereidt de raaf haar kost?" zegt Job. Wel, draagt God nu zulk een zorg voor de raven, wat zal Hij dan niet doen voor Zijn kinderen? Die het gekras van de raven hoort en verhoort, zal ook buiten twijfel het wenen en zuchten van Zijn lieve kinderen horen en verhoren, wanneer zij Hem aanroepen als een waterstroom.
Onder de herderlijke voorzorg van onze Herder Jezus Christus zal niets ontbreken ten aanzien van het lichamelijke. Wat breken wij dan ons hoofd en wat verkwisten wij dan onze tijd, door al te grote zorg voor de dingen van deze wereld? Wij vrezen altijd maar dat wij in dit korte leven te kort zullen komen of niet geholpen zullen worden. Och, wat een zondig gebrek is dit in ons. U zult vragen: "Mogen wij dan niet zorgen?" Ja, elk naar zijn gelegenheid. Zo heeft Jozef in zijn wereldlijk beroep, door God ingegeven, het land van Egypte met voorraad verzorgd tegen de zeven jaren van honger. Hoe heeft Paulus zorg gedragen in zijn kerkelijk beroep in de gemeente van Korinthe. Deze zorg heeft het oog op Gods alzorgende voorzienigheid. Zij maakt dat de mens ijverig is en van God een zegen op zijn arbeid verwacht. God wil ons wel dagelijks brood geven, maar Hij wil ook dat wij zullen werken met onze handen om door eerlijke middelen dit brood te winnen.
Niets zal Gods kinderen ontbreken ten aanzien van het geestelijke. Wij hebben eerst gesproken over de vervulling van het lichamelijk gebrek en nu ten aanzien van het geestelijk gebrek. Het minste kruimeltje van het laatste is duizendmaal beter dan het voorgaande. Hier is brood voor de kinderen, waaraan de honden geen deel hebben. Het is zo dierbaar, dat de gehele wereld met al haar schatten daarbij niet is te vergelijken. Want Jezus' herderlijke zorg gaat in het bijzonder over hun zielen. Hij is een Herder Die Zijn schapen weidt onder de leliën, in een weide die bezaaid is met geurige bloemen. 't Is waar, Hij laat nu en dan zijn schapen ook onder de doornen komen. Maar zelfs onder die stekelige doornen van de verdrukking vinden zij ook nog liefelijke lelies van vertroosting voor hun ziel. Hij zorgt voor hen, zodat hun niets zal ontbreken. O, wat rampzalig is de staat van die mensen die geen schapen zijn van deze Herder en die ook geen deel hebben aan Zijn herderlijke zorg. Zij mogen dan een overvloed hebben naar het lichaam, maar helaas hebben ze ondertussen naar de ziel gebrek aan alles.
Een distelvink die onder de doornen leeft, zal daar toch nog liefelijk zingen. Dit is een zinnebeeld van een kind van God, dat onder de doornen van de ellende verkeert en toch nog een hemels halleluja kan zingen. Zelfs de hete vuren waarin de martelaren werden geworpen, strekten hun tot een triomf. Overvloedig is hun vertroosting, niet alleen na hun lijden, maar ook zelfs onder hun lijden. Zij kunnen roemen in de verdrukking.
Saul kon niet vrolijk zijn zonder een speelman, Achab niet zonder Naboth’s wijngaard, maar de kinderen Gods kunnen zonder wereldse hulpmiddelen, zelfs onder de zwaarste kruizen, met Habakuk in de Heere hun God van vreugde opspringen. Dit is de taal, die ze in de school des hemels geleerd hebben: "Alhoewel de vijgenboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, ...en dat er geen rund in de stal- lingen wezen zal, zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen; ik zal mij verheugen in de God mijns heils", Habakuk 3 : 17 en 18.
Franciscus Elgersma (1627-1712)