Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen.   

Zacharia 4 : 6b

GODS WERK GAAT DOOR...
’t Is voor de profeet Zacharia een onvergetelijke nacht geworden… de 24e van de 11e maand van het jaar 520 voor Christus. De Heere laat hem in één nacht acht gezichten, visioenen zien. Ons tekstvers is genomen uit het vijfde visioen. Vier nachtgezichten heeft Zacharia hiervoor gezien en wat hij gezien had was zo vertroostend, zo bemoedigend maar ook zo verwarrend….
De Heere had gesproken dat Hij wilde wonen in Jeruzalem, dat Hij de vijand zou verslaan, Zijn volk vergaderen, de ongerechtigheid wegdoen, de zonde verzoenen… troostrijke woorden! Maar de werkelijkheid leek zo anders: de stad Jeruzalem is een ruïne, van de tempel ligt alleen nog maar een fundament, om maar niet te spreken over het volk, waar zo weinig Godsvreze te vinden is. Zeker, de Heere had grote dingen gedaan. Zacharia is er een levend bewijs van. Hij is geboren in Babel, droeg een mooie naam die zijn ouders hem gegeven hadden: ‘de Heere gedenkt’. Al 18 jaar geleden is dat waar geworden en een klein groepje ballingen is weergekeerd. Onder leiding van Jozua en Zerubbabel hebben ze een altaar gebouwd en een fundament voor de tempel, maar na twee jaar is het werk stilgelegd vanwege de tegenstand van satan door middel van de inwoners van het land. En nu ligt het werk al 16 jaar stil!
Lezer, verstaat u de bange vraag van Zacharia? Hoe moet het toch? Vraagt u zich ook wel eens af hoe het moet: persoonlijk, in de kerk, in onze maatschappij?
Nu laat de Heere eerst zien hoe Hij Zijn woord waarmaakt. Wat ziet Zacharia? Hij ziet een gouden kandelaar. Die kandelaar, de menora, was en is (!) het symbool van Israël. De priesterzoon Zacharia kende de betekenis: iedere keer werden de lampen van die kandelaar aangestoken, niet alleen ter verlichting maar ook als een belofte: zolang Israël een lamp zou hebben voor Gods aangezicht, zou Gods volk niet ondergaan.
Het is de roeping van de levende kerk om te zijn als ‘n lichtend licht in de duisternis van de wereld en tegelijk tekent dit beeld de afhankelijkheid van de Kerk: een kandelaar is immers geen lichtbron, slechts lichtdrager, zoals psalm 18 zingt: ’door U, o Heere geeft mijne lamp haar licht’.
Bent u er achter gekomen dat we na Genesis 3 allen mensen zijn die in ’t donker leven, vervreemd van God die een ontoegankelijk licht bewoont? Met de ballingschap had de Heere de kandelaar weggenomen - ook letterlijk - en nu, na 70 jaar ballingschap, ziet Zacharia de kandelaar weer! Maar hij ziet meer: een oliekruikje erboven en naar elk olielampje op de kandelaar lopen zeven pijpjes en links en rechts van de kandelaar groeit een olijfboom.
In vers 12 van dit hoofdstuk lezen we hoe het gaat: er zijn twee takjes (van elke boom één) beladen met rijpe olijven; uit deze olijven druppelt de olijfolie in twee kruiken die als twee trechters in de ene kruik samenkomen waaruit de pijpjes lopen naar de lampen.
Alles is zo anders als in het Oude Testament waar de priesters met grote zorg rijpe olijven moesten verzamelen, olie eruit persen, de lampen schoonmaken en toebereiden en voortdurend toezicht om op tijd bij te vullen. Maar hier ziet Zacharia hoe Gods’ Geest werkt: souverein, vrijmachtig: en er komt geen mensenhand aan te pas!
In gedachten zien we de profeet zitten als in verwondering. Het is zo’n ander visioen als de vorige visioenen, waar alles sprak van bedrijvigheid. Nu is het stil, alles is in rust: de goudgele olie stroomt traag in de richting van de lampen, die een helder licht verspreiden. Het werk van de Heere gaat de wereld dan ook ten enenmale voorbij maar ook Zacharia verstaat het niet. En zo heel eerlijk vraagt hij aan de Engel: ‘wat zijn deze dingen?’ Ook Gods kinderen en knechten zijn maar kleine mensen die van gisteren zijn en niet weten. Wat een wonder dat Gods kinderen dat doorleven opdat ze als ellendigen, armen verlegen worden om hemels onderwijs.
Dan krijgt Zacharia een boodschap voor de vorst Zerubbabel, de staatkundige leider van de ballingen in Jeruzalem met de woorden van onze tekst. Letterlijk staat er ’niet door menselijke kracht noch door menselijk geweld, door Mijn Geest’. Dat is nu het kenmerk van het werk van de Heilige Geest. Zeker, op de Pinksterdag waren er tekenen van een geweldig gedreven wind en vurige tongen, maar Zijn werking is als in het suizen van een zachte stilte, onopgemerkt, onopvallend.
Dat hebben ze gemerkt in Jeruzalem! Als de Samaritanen een klacht indienen bij het Perzische hof komt er een onderzoek en… de Joden krijgen daardoor van een heidens vorst toestemming voor de bouw en zelfs middelen: subsidie uit de staatskas.
Zijn er onder de lezers die niet meer leven kunnen in deze wereld, die op alles de dood hebben leren schrijven en die niet weten hoe ze ooit zalig zullen worden? Geen kracht, geen hoop, geen moed; hun lichaam zou een tempel van Gods Geest behoren te zijn, maar het is een ruïne. Hun ziel zou Gods eer moeten bedoelen en ze leren zichzelf kennen als zelfbedoelers. Hoor: ‘Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen’. Wat Zacharia mocht zien mag hij nu ook horen: zoals de olie vloeit zonder mensenhand, onweerstaanbaar en zeker, zo zeker zijn de werkingen van Gods Geest in de wedergeboorte en in de oefeningen der genade. Zo komt er plaats voor die gezegende Hoeksteen en zo zal elke ware Sioniet worden ingevoegd als een levende steen in dat Godsgebouw. ’Ik weet, hoe ’t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen’.

ds. B. Labee