"Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijn discipelen. En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: Ziet, het Lam Gods! En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus."   
Johannes 1 : 35 - 37

Lezer, met veel schuchterheid volgen Johannes’ discipelen aanvankelijk Jezus. Wie zijn zij immers en wat is hun afkomst? Zij zijn geen Schriftgeleerden, geen priesters of Levieten maar slechts arme, geringe vissers. En daar zij eerst onder de prediking van de wet hebben verkeerd, is er vrees in hun hart of zij wel gehoor bij Jezus zullen vinden. Nochtans is er een liefdesbetrekking op Hem in hun hart en zijn zij met onverbrekelijke banden aan Hem verbonden, voor Wie bij hen plaats is gemaakt. Terugkeren kunnen zij niet meer. Het is bij die zielen zoals de dichter zingt: “Die hoe het ook moog' tegenlopen, gestadig op Zijn goedheid hopen”. “En Jezus Zich omkerende en ziende hen volgen”. Hij wil Zich met hen inlaten. Tot dat volk dat Hem zoekt in al hun zielsverdriet wendt Hij Zich, niet om hen te bestraffen maar om hen te bemoedigen en te vertroosten in hun geween en tot hun ziel te spreken: “Ik ben uw heil alleen.” Hij ziet hen. Zijn liefdesoog slaat hen gade. Ook al zien zij Hem niet. Zijn oog is op hen gevestigd. Het is zo waar voor die zielen: “Milde handen, vriend’lijk ogen zijn bij U van eeuwigheid.”
Hij zegt niet tot hen: Wie zoekt gij, maar: “Wat zoekt gij?” Het is immers duidelijk genoeg dat het hen om Hem te doen is. Hij stelt deze vraag dan ook niet omdat Hij het niet weet, maar om hen uit te lokken. Hij bedoelt als ‘t ware te vragen: wat verwacht gij van Mij; hebt u Mij nodig, is het u er om te doen dat Ik u lere van de weg die gij gaan zult? Stort dan voor mij maar uit uw ganse hart, zeg Mij maar met welke zielenraadselen u loopt. “En zij zeiden tot Hem: Rabbi, waar woont Gij?” Een opmerkelijke wedervraag. Zij zoeken Jezus en zij vragen naar Zijn woning. Toch ligt hierin een treffende gedachte. Zij geven als ‘t ware te kennen dat zij een persoonlijk gesprek met Hem begeren. Dat kan niet hier op de weg gebeuren maar daar moet tijd en gelegenheid voor zijn. Zij hebben onderwijs nodig. En dan antwoordt Hij: Komt en ziet! De grote Leraar ter gerechtigheid weet hen wel een gepast antwoord te geven op hun vraag. “Hij geeft de wens van allen die Hem vrezen, hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.”
Komt, overtuigt u Wie Ik ben en waar Ik woon. Hier zien we het werk van de drieënige God. De trekking des Vaders, de openbaring des Zoons en de bediening des Heiligen Geestes. Zij kwamen en zagen. Van wat binnenshuis besproken is, lezen wij niets meer. Hij heeft hen niet voor niets alleen genomen. Als Johannes hen heeft toegeroepen: “Ziet, het Lam Gods”, dan mogen zij Hem nu aanschouwen. Het mag door hen beleefd worden: “Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid.” Hij heeft hen onderwijs gegeven. De opening Zijner lippen is enkel billijkheid. Woorden der zaligheid vloeien van Zijn gezegende lippen. Wie is een Leraar gelijk Hij? Hij heeft hen gesproken van Mozes en de profeten, die van Hem getuigden als de Profeet Die in de wereld komen zou. Hij is de meerdere Aäron, Die met één offerande zou heiligen allen die door Hem tot God gaan. Hij is Sions eeuwige Koning, Die zegenen zal in gerechtigheid. Al hebben zij hier niet alles ten volle verstaan, daar is toch zoveel van overgebleven dat Andreas tot zijn broeder Simon zegt: “Wij hebben gevonden de Messias.”
Deze zoekers mochten vinders worden. Het is voor hen een ogenblik geweest om nooit meer te vergeten.
Hun hart mocht zich in Hem verheugen. En hoewel het hier dikwijls maar ogenblikken zijn, uurtjes van korte duurtjes, dat zij in Zijn gemeenschap mogen delen, straks komt de tijd dat de Kerk eeuwig mag verzadigd worden met het goede van Zijn woning; als ze daar mag zijn, waar Hij eeuwig hen Zijn volle gunst zal betonen en ze mag zijn waar Hij is. Dat een ellendig en arm volk een oog op Hem mocht slaan. Buiten Hem, onbekeerde van hart, is geen verberging tegen de wind en geen schuilplaats tegen de vloed. Maar al de Zijnen zullen dat Lam straks zien gelijk Hij is en dan zullen zij altijd bij de Heere wezen.

Ds. M. Mondria