Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden, namelijk Jezus Christus, onzen Heere.
Romeinen 1 : 4
Door de opstanding onzes Verlossers werd de waarheid Zijner Godheid bevestigd. Zijne wonderen hadden de waarheid reeds bewezen van Zijn goddelijk Zoonschap; maar toch ontbrak er nog één bewijs aan, het éne bewijs, dat de kroon was van alle anderen, en dat geleverd werd in de opstanding. Hiermede was het laatste zegel gezet op de waarheid zijner Godheid. Zonder dit zegel, zou alles wat Hij te voren gezegd, voorzegd en gedaan heeft, slechts gebleken zijn te wezen, wat zijne vijanden gezegd hebben dat het was - de list van een bedrieger, om op de lichtgelovigheid van enkele toegewijde, doch misleide volgelingen te werken. O, hoe waarlijk en wezenlijk bleek Hij nu God te zijn! Verheven en overtuigend als al de voorafgaande getuigenissen zijner Godheid geweest waren - Zijn leven, dat een opeenvolging was van de verwonderlijkste en schitterendste daden van goddelijke macht en goedheid - krankheden genezen, het gezichtsvermogen hersteld, duivelen uitgeworpen, doden in het leven teruggeroepen, stormen tot bedaren gebracht - Zijn dood! gekenmerkt door verhevene, ontzagwekkende wonderen - de aarde zich opheffende onder Zijne voeten, de zon verduisterd boven Hem, de graven geopend rondom Hem - toch is zijne Godheid nooit met zo veel kracht van bewijs en schitterende heerlijkheid in het licht getreden, als toen Hij opstond, uit het graf, triomferend over de hel, de dood en het graf. Toen heeft Hij de voorzegging vervuld en zijn Woord gestand gedaan - "Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik dien oprichten." Terugwijkende voor een wijle van de gemeenschap met het leven - als om een pauze te scheppen in de natuur, waardoor de ganse bezielde schepping met belangstelling en gespannen verwachting op één groot, verbazingwekkend feit zou staren - verdween Hij binnen het gebied zelf van van de "koning der verschrikking", omhulde zich met Zijn lijkgewaad der duisternis, en legde zich neder, Hij! het essentiële Leven, geklemd in de omhelzing des doods! de onsterfelijkheid sluimerende in het graf!
Maar Hij is wederopgestaan! Zich losrukkende uit die ijskoude omhelzing en opwakende uit die geheimenisvolle sluimering, trad Hij onsterfelijk en stralend, en goddelijk, terug in het leven! Heilige Gods! verlangt gij nog een ander, een krachtiger bewijs, dat uw geloof geen kunstig verdichte fabelen gevolgd is ? Dat Hij , aan wiens hoede gij uw kostelijke ziel hebt toevertrouwd, machtig is dit pand te bewaren tot aan de morgen van uwe eigen opstandingsheerlijkheid? Zie het in het opstandingsleven van God, verschenen in het vlees! Hij is opgestaan uit het graf, om al zijne vorige aanspraken op Godheid waar te maken, en aldus uw geloof in de waarheid, waardigheid en heerlijkheid van Zijn Persoon aan te moedigen en te bevestigen, en u te verzekeren, dat "een iegelijk die in Hem gelooft, niet beschaamd zal worden.”
Nu kunt gij instemmen met het lied des triomfs, dat van de lippen des stervenden apostels vernomen werd, totdat wederom een ander het van uw lippen opvangt:
“Ik weet, wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem, weggelegd, te bewaren tot dien dag.”
Octavius Winslow - Uit: Morgengedachten