"En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg."
Matthéüs 26:30


De viering van het Pascha onder Israël ging met veel ceremoni­eel gepaard.
Na het gereedmaken van de maaltijd en het wassen van de handen begon de plechtigheid met het inschenken van een eerste beker wijn door de huisvader. Hij zegende de beker, dronk er zelf eerst een teug uit, waarna de andere feestgangers dronken. Vervolgens sprak hij een kort dankgebed uit voor de verlossing uit Egyp­te, zegende het brood en at van de bittere kruiden. Ook de aanwezigen aten van die kruiden.
Dan werd de tweede beker wijn ingeschonken. Op een vraag van de oudste zoon waarom dit paasmaal was aangericht verhaalde de huisvader de geschiedenis van de uitleiding uit Egypte en wees op de betekenis van het lam, waarvan het aan de deurposten gestreken bloed een beschutting tegen het oordeel des doods was.
Als men dan van de bittere kruiden en de ongezuurde broden gegeten had, zongen allen twee Hallelpsalmen: Ps. 113 en 114. Vervolgens dronk men van de tweede beker en waste men opnieuw de handen. Eerst dan ving de eigenlijke maaltijd aan en werd het paaslam genuttigd. De derde en vierde beker wijn werden ingeschonken en genuttigd. Na het eten van het lam droeg de maaltijd een minder ceremonieel karakter, maar lag men vrijelijk etende aan de dis.
Onder dit vrije eten heeft de Heere Jezus het Heilig Avondmaal ingesteld, niet alleen voor Zijn apostelen, maar voor allen die daartoe van Godswege geroepen worden.
De paasmaaltijd werd besloten met het zingen van het tweede deel van het Hallel: Psalm 115 - 118. Daarop doelt Matthéüs als hij schrijft: "En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg".
Hier gaat de lijdende Knecht des Heeren de smartelijke lijdensgang naar de aan de voet van de Olijfberg liggende Hof van Gethsemané met de lofzang van Psalm 118 op de lippen: Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
Wat een gewilligheid om aan het recht Zijns Vaders te voldoen voor doodschuldige Adamskinderen, die menen zichzelf wel te kunnen verlossen. De discipelen hadden er nog niet veel van begrepen. Zij zouden zich aan Hem ergeren, ja, ze zouden Hem verloochenen. Wat kent een mens zichzelf, ook na ontvangen genade, toch slecht. Dat was ook met Petrus zo. Hij zei: "Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen." Wat een heldhaftige spraak, maar wat een tegengestelde daad straks in de zaal van Kajafas.
De Heere Jezus wist dat Hij in de Hof van Gethsemané een zware strijd moest strijden. Zijn zweet zou daar worden als grote droppelen bloeds, die op de aarde afvielen. En dan toch eerst een lofzang gezongen? Waar alles spreekt van verbrijzeling? Waar het kruis zijn schaduw van de dood vooruitwerpt? Hoe is dat mogelijk! Dat kon nu alleen maar, omdat het Christus' hoogste vermaak was de wil van Zijn hemelse Vader te doen. Hij heeft daarvan getuigd in het Hogepriesterlijk gebed: "Ik heb U verheerlijkt op de aarde: Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen".

(wordt vervolgd)

Ds. W. Silfhout