"En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg."                                                          
Matthéüs 26:30

EEN LOFZANG IN DE SCHADUW VAN HET KRUIS (2)
In Psalm 40 wordt ons de komst van de Messias en Zijn gewilligheid profetisch voorzegd: "Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden Mijns ingewands". Hij had lust het welbehagen Zijns Vaders te doen. Hij offerde Zich vrijwillig op om als het enige Paaslam geslacht te worden tot een volkomen verzoening van de zonden van Zijn bruidsgemeente, van degenen, die Hem door de Vader als Zijn erfdeel op Zijn Middelaarsarbeid zijn geschonken. Ook voor degenen, die Hem verloochend hebben. Ziet u het, dat Hij niet is gekomen om vrienden zalig te maken, maar om van vijanden vrienden te maken en om wederhorigen bij Hem te doen wonen?
Met het oog gericht op de eer Zijns Vaders kon Christus zingen in het aangezicht van de dood. Het zou door lijden gaan tot heerlijkheid. Hij zou het recht Gods voldoen tot verheerlijking van de zalige deugden Gods. Hij zou Zijn bruidsgemeente als een buit uitdragen om ze zonder vlek en zonder rimpel voor te dragen voor Zijn Vader om het waar te maken, wat Hij, nog op aarde zijnde, bad: "Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt."
Hij kon zingen onder de schaduw van het kruis. De wereld zingt ook onder de naderende oordelen Gods over deze wereld. Zingen wij met hen mee? Of hebben wij een ander lied geleerd? Want het is van tweeën één: òf we zingen met Lamech het loflied van deze wereld, òf we hebben door goddelijke genade geleerd te zingen van Gods goedertierenheid. In wegen van druk en beproeving verstomt deze Gode gewijde lofzang zo dikwijls in de harten van Gods kinderen. Het wordt dikwijls zo weinig ervaren: In de grootste smarten blijven onze harten in de HEERE gerust. Maar ze gaan ook zo vaak en soms zo lang zo behoefteloos en 'lofloos' over de aarde, omdat ze zo kunnen opgaan in de dingen van de tijd, zodat er bijna geen gebed, geen lofzang, overschiet. Maar als de Heere hen opnieuw ontdekt aan hun zondig bestaan en aan hun vijandschap, dan gaan ze het uitroepen: 'k Bekend', o HEER', aan U oprecht mijn zonden; 'k verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden; maar ik beleed, na ernstig overleg, mijn boze daân.
En dan wordt het ook waar: Gij naamt die gunstig weg. De HEERE is immers een waarmaker van Zijn Woord! Zou Hij het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken? Dan gaan ze zingen van Gods goedheid en genade, bewezen aan zulk een zondaar. Dan verfoeien ze zichzelf in stof en as, omdat ze zolang hebben tegengestaan, zolang hun eigen weg zijn gegaan.
Er is soms veel voor nodig om een levendgemaakte zondaar op die plaats te krijgen, waar hij of zij het voor God moet verliezen. Dat is bij aanvang zo, maar ook bij voortgang. Dan komt de Heere hen soms tegen met ziekte, armoede, tegenslagen. Maar dan blijft het toch waar, wat Jeremia in zijn klaagzang mocht zingen: "Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen naar de grootheid Zijner goedertierenheden. Want Hij plaagt en bedroeft des mensen kinderen niet van harte."
Dan mogen ze weten dat de Heere hen niet straft uit lust tot plagen, maar hen kastijdt als een liefdevol Vader.
Hoe is dat in ons leven? Is de Heere voor ons een genadig en een barmhartig God in het aangezicht van Zijn enige en geliefde Zoon? Of is de wereld onze god? Maar weet, dat deze wereld voorbijgaat met al haar begeerlijkheid. Die wereld gaat voor u en voor mij voorbij op het moment dat de dood bezit van ons neemt. Dan verstomt ons lied en houdt ons zingen op. Niet alleen het zingen van de liederen van de wereld, maar ook het zingen van de Psalmen, die we zó vaak gezongen hebben, dat we de meeste ervan uit ons hoofd kennen. En sterven is God ontmoeten. Dan zal het zijn: eeuwig wel of eeuwig wee. Voor degenen, die Hem hier in dit leven tot zaligheid hebben mogen leren kennen, zal dan de gebroken klank van hun lofzang overgaan in een eeuwige zuivere lofprijzing. Daar mogen ze in dit leven soms de voorsmaken van hebben. Als de Heere Zijn genade bewijst en de vergezichten van het zalig hemelleven een ogenblik ontsluit, dan kunnen Gods kinderen ook op het sterfbed zingen van Gods goedertierenheden. Maar het moet wel door de dood heen, want: Als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg.

Ds. W. Silfhout