"…en is van Simon gezien."
Lukas 24 : 34b

SIMON PETRUS DOOR JEZUS OPGEZOCHT
Wat zal het voor Petrus een wonder zijn geweest, dat de Opgestane Levensvorst hem een apart bezoek heeft gebracht. Hij had het immers totaal verzondigd. Hij had immers zijn Meester verloochend in de zaal van Kajafas. En nu dit? Het is niet anders dan een wonder van de onbegrijpelijke goedheid en genade van Christus. Aan de Emmaüs-gangers, nadat zij Jezus hebben ontmoet, wordt het hen vanuit de kring van de daar bij elkaar zijnde discipelen toegeroepen: "De Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien." Ze hebben zich er met elkaar over mogen verheugen, dat Jezus was opgestaan. Wie was Petrus? Ongetwijfeld was hij een kind van God. De Heere Jezus had hem opgezocht en hem een nieuwe naam gegeven. Simon zou Petrus heten. Die nieuwe naam was een bewijs van het nieuwe begin, dat de Heere met hem gemaakt had. Wedergeboorte en bekering vormen het nieuwe begin, dat de Heere maakt met al Zijn kinderen als Hij hen van geestelijk dood geestelijk levend maakt. Daar was Petrus geen vreemde van. Daarnaast had Jezus hem ook geroepen om visser van mensen te worden. Hij was van achter de netten geroepen om Jezus als één van Zijn discipelen te volgen. Dus Petrus was een geroepen kind en knecht des Heeren. Hij had ook zichzelf leren kennen als een zondaar voor God. Hij had het gezegd tot de Zaligmaker: "Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens." Allen met wie de Heere dat nieuwe begin maakt in de wedergeboorte, leren zichzelf kennen als zondaar voor God. Petrus was met hartelijke liefdebanden aan Jezus verbonden. Hij had Christus in Zijn profetische bediening leren kennen, want hij had gezegd: "Gij hebt de woorden des eeuwigen levens." Maar waar Petrus nog geen oog voor had was het priesterlijke werk van Christus. Er zijn kinderen van God bij wie het is zoals het bij Petrus was. Overwonnen door het woord van Christus, getrokken in Zijn profetische bediening, maar nog niet de noodzaak gezien van Zijn priesterlijk werk, dat wil zeggen van Zijn lijden en sterven, van Zijn offer tot verzoening van de zonde. Ja, Petrus verzette zich tegen de lijdensweg, die Jezus moest gaan. Toen Christus voor het eerst sprak van Zijn lijden en sterven, sprak Petrus: "Dat zal u geenszins geschieden." Dát niet, zó wil ik het niet. Toen Jezus Zich liet grijpen in de hof door de bende, zwaaide Petrus met zijn zwaard in het rond en sloeg Malchus het oor af. Als het aan Petrus gelegen had, dan had hij heel de zaligheid aan gruzelementen geslagen. Steeds dat verzet tegen de lijdensweg van Christus. En Petrus had zulke grote woorden gesproken: Ik zal U nooit verloochenen en ik zal nooit aan U geërgerd worden, ik zal mijn leven voor U zetten. Waarom die grote woorden? Ach, Petrus kende zichzelf nog niet voldoende, stond nog te hoog met zichzelf. Als we nog zo hoog met onszelf staan, dan is er geen plaats voor de noodzaak van het priesterlijk werk van Christus. Voor wie krijgt die grote Priester der verzoening waarde? Voor zondaren, die met al het hunne midden in de dood gekomen zijn. Wat is er terechtgekomen van al de grote woorden van Petrus? Niets! In de hof van Gethsemané viel hij in slaap, terwijl Jezus waakte en streed. Hij kon nog niet één uur met Jezus waken. Met de andere discipelen werd hij geërgerd. In de zaal van Kajafas verloochende hij zijn lieve Meester. Nog wel met vloeken en zweren. "Ik ken de Mens niet". Die Mens, die vernederde, bloedende, geslagen Mens ken ik niet, wil ik niet kennen. Zo had Petrus het zich niet voorgesteld. Dat Jezus deze weg moest gaan om ook Petrus' zonden te verzoenen, hij verstond het niet. Maar zie dan de trouw en de liefde van Jezus voor Zijn Petrus. Allereerst keek hij in de zaal van Kajafas Petrus aan. Met ogen van onbegrijpelijke liefde. Die éne blik was genoeg om Petrus terecht te brengen. Naar buiten uitgaande weende hij bitterlijk. Nooit is de zonde bitterder, dan wanneer ik Zijn milde handen en vriendelijke ogen gezien heb. Wat is het bitter gezondigd te hebben tegen Zijn goedheid en liefde.
Ach, Petrus zal zichzelf wel afgeschreven hebben. Hij, die het zo verzondigd had, hoorde er niet meer bij. En nu het wonder, dat de Emmaüsgangers mogen horen: "Hij is van Simon gezien." Ook Simon Petrus heeft de Opgestane gezien. Wonder van genade. De vrouwen brachten de boodschap van het lege graf: "Zeg het Zijn discipelen, en Petrus." Petrus, Ik, uw trouwe Zaligmaker, heb u niet afgeschreven. En Jezus heeft hem een apart bezoek gebracht. We weten niet wat daar gesproken is. Dat is te intiem geweest tussen Jezus en Petrus. In ieder geval heeft Christus het weer vlak gemaakt tussen Petrus en Hem, heeft Hij Zijn vergevende liefde weer aan Petrus doen ervaren. Want Petrus had zijn zonde wel beweend en beleden, maar daarmee was zijn zonde nog niet vergeven, daarmee was het nog niet vlak tussen Jezus en zijn ziel. Een beweende en beleden schuld is nog niet per definitie een vergeven schuld. Misschien zijn er wel onder degenen, die dit lezen, die hun zonde voor de Heere hebben beweend, maar daarmee is hun zonde nog niet vergeven, drukt het pak hun schouders nog naar beneden, daarmee is het nog niet vlak tussen de Heere en hun ziel. Dat is alleen als de Heere er Zelf aan te pas komt en het woord van Zijn schuldvergevende genade toepast aan hun hart. Is het zo met u? Schep dan moed uit Petrus' behoudenis. Jezus heeft hem opgezocht en het weer vlak gemaakt met Petrus. Jezus heeft hem niet afgeschreven. Die zichzelf afschrijven vanwege hun zonden, worden door Hem niet afgeschreven. Wat zal Petrus zich verwonderd hebben. Hij zal weer geweend hebben, nu van verwondering. O, dat wonder, dat Hij me nog hebben wil. En zo mogen de Emmaüsgangers het horen: "En is van Simon gezien." De discipelen gebruiken zijn oude naam, de naam Simon. Zo schittert nog meer het wonder van Gods genade. Dan roepen de woorden van onze tekst ons toe, dat we voor de Zaligmaker nooit te slecht kunnen zijn. Schep dan moed uit de levensgeschiedenis van Petrus.

Ds. J.J. van Eckevel