Psalm 133 is een psalm vol vrede en lieflijkheid. Waarschijnlijk staan de bezoekers van een van de grote Joodse feesten klaar om Jeruzalem te verlaten en terug te keren naar hun woningen. Ze zijn getuige geweest van al die mensen die om het altaar verzameld waren om daar hun offers te brengen. Het huis des Heeren heeft van vreugde gedruist. Het was daarvan vervuld. Hoe goed is het dat broeders van hetzelfde huis samenwonen. Het is niet alleen goed, het is ook lieflijk. Het wordt vergeleken met de kostelijke olie die op het hoofd en de baard van Aäron neerdaalt en zijn klederen doortrekt. Ook wordt het vergeleken met de dauw die van de Hermon neerdaalt op de bergen van Sion. Van de hoge bergen van de Libanon wordt vochtigheid aangevoerd naar de lager gelegen bergen van Sion, die rondom Jeruzalem zijn. Daarvan zingt de dichter van Psalm 125: Rondom Jeruzalem zijn bergen, alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid. En waar nu de broeders van hetzelfde huis samenwonen daar gebiedt de Heere Zijn zegen en het leven tot in der eeuwigheid. Daar waar die liefde, die van Boven komt, gevonden wordt, gebiedt de HEERE Zijn zegen. Hij beveelt dan dat die liefde daar zal zijn. Hij werkt ook daarheen dat die liefde werkelijk gevonden wordt. God heeft er een welbehagen in dat Zijn kinderen gezegend worden, dat zij gelukzalig zijn. Zij die begrepen zijn in het soevereine welbehagen van God van eeuwigheid zijn immers de gunstgenoten des Heeren. Zij zijn niet beter dan anderen, maar door God verkoren tot zaligheid en daarom door de Heere gezegend. Zoals de dauw van de Hermon afdaalt en de zalfolie van het hoofd neerdaalt op de zoom van het kleed van Aäron, zo daalt de liefde van Boven naar beneden. Want van de mens geldt dat hij van nature een hater is van God en van de naaste. Er mag gelukkig wel dank zij de algemene genade Gods natuurlijke liefde gevonden worden in de relatie tussen mensen, maar ware broederlijke liefde is een vrucht van de verdienste van Christus. Die vinden we niet op de akker van ons mensenhart. Die liefde wordt alleen gevonden omdat Hij Zijn broeders in alles gelijk wilde worden. Omdat Christus mens wilde worden om zaligheid en zegen te bereiden voor hen, die zichzelf leren kennen als vijanden van God, maar die door de kracht van de Heilige Geest worden overwonnen en aan Zijn gezegende voeten terechtkomen. Die liefde wordt daar gevonden waar de liefde Gods in het hart is uitgestort door de Heilige Geest. Die dringt de mens tot wederliefde tot God en tot de naaste. Door wedergeboorte krijgt de Wet des Heeren zijn bijzondere betekenis als liefdewet: God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf. Als die wet niet een liefdewet is voor ons, dan is hij vaak een keurslijf van geboden en verboden. Maar waar die liefde woont door de genade die Christus heeft verworven door Zijn lijden en sterven, waar Hij de wet heeft vervuld uit liefde tot de Vader en tot Zijn Kerk, dan wordt ook de zegen die daarvan uitgaat gevonden. Daar gebiedt de Heere Zijn zegen. Want waar Hij heerst, daar heerst de liefde, want God is liefde. Dan schenkt Hij de zegen. En die zegen is velerlei. De zegen van de onderlinge verbondenheid en liefde. De zegen van de zelfverloochening, waar de een de ander uitnemender acht dan zichzelf. De zegen van onderlinge rust en vrede. De zegen van het drukken van de voetstappen van Christus in de wegen van kruis en tegenspoed. Maar de grootste zegen is het leven tot in der eeuwigheid. Wat een zegen! Voor mensen die de dood verdiend hebben, omdat ze van God zijn afgevallen. Als dat werkelijkheid wordt in ons leven dan gaan we zoeken naar het leven, haken naar het leven, naar het ware leven, het eeuwige leven. Want dit leven is niet anders dan een gestadige dood. Als we geboren worden zijn we reeds op weg naar de dood. Het leven tot in der eeuwigheid hebben we allen nodig. Dat leven is nog verkrijgbaar in Hem, Die Zichzelf gaf om gekruist te worden en de dood in te gaan. Hij doodde de dood voor doodschuldige zondaren. Is dat al werkelijkheid in uw leven geworden? Van uzelf moeten getuigen door het licht van Gods Geest midden in de dood te liggen? Hoe kun je dan dit leven verkrijgen? Dat kan een mens niet zelf maken, dat kunnen andere mensen ons ook niet geven. Dat kan alleen door de bediening van de Heilige Geest, Die het uit Christus neemt, Die de opstanding en het leven is. De opgewekte Levensvorst heeft de dood verslonden tot overwinning en daarom is er een volk dat met Paulus wel eens uitroept: Dood waar is uw prikkel, hel waar is uw overwinning? Zij moeten nog wel de natuurlijke dood sterven, maar hun sterven is een doorgang tot het eeuwige zalige leven. Leven tot in der eeuwigheid! Daarvan heeft de Heere Jezus Zelf gesproken: Die in Mij gelooft, zal leven, al ware Hij ook gestorven.
ds. W. Silfhout