Koning Manasse heeft het volk van Juda meegesleurd in de ongerechtigheid. Hij deed dat kwaad was in de ogen des Heeren en het volk volgde hem. Zij deden nog erger dan de heidenen. De Heere sprak wel tot Manasse en tot zijn volk, maar zij merkten daar niet op (2 Kronieken 33:10). Onder de regering van de godvrezende koning Josia wordt het slechts voor een tijdje anders, maar daarna gaat het al sneller bergafwaarts. De profeet Jeremia heeft, zoals we kunnen lezen in hoofdstuk 14, uit de mond des Heeren gehoord dat de Heere de zonden van het volk zal bezoeken met droogte en hongersnood. Jeremia, die zich één weet met het volk, heeft het voor Gods aangezicht uitgeschreeuwd: ‘Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o HEERE, doe het om Uws Naams wil; want onze afkeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen U gezondigd’ (14:7). De HEERE heeft hem geantwoord: ‘Zij hebben zo liefgehad te zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwongen; daarom heeft de HEERE geen welgevallen aan hen, nu zal Hij hunner ongerechtigheden gedenken en hun zonden bezoeken’ (10). Het vonnis staat vast en het zal worden uitgevoerd. De profeten kunnen wel zeggen dat er geen oorlog zal komen en dat er geen hongersnood zal zijn, maar deze profeten zijn niet door Mij gezonden, zegt de Heere. Zij profeteren vals in Mijn Naam. Nog geeft Jeremia het niet op, ondanks dat de HEERE had gezegd: Bid niet voor dit volk. Jeremia is zo begaan met het volk, dat hij opnieuw de HEERE aanloopt als een waterstroom: ‘Hebt Gij dan Juda ganselijk verworpen?’ ‘HEERE, wij kennen onze goddeloosheid en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd’. De maat van de zonde is echter vol. De Heere wijst de voorspraak van Jeremia voor het volk af. Zelfs al zouden Mozes en Samuël voor Zijn aangezicht staan, zo zou Ik Mij toch niet laten verbidden. De zonden van het volk zijn zo gruwelijk, dat er geen helen aan is. Mozes (Exodus 32) trad als de middelaar van het Oude Verbond tussen de Heere, Die vreselijk vertoornd is omdat het volk rond het gouden kalf heeft gedanst, en tussen het volk. De Heere heeft Zich van hem laten verbidden. De Heere heeft de zonde gestraft en het volk op de voorbede van Mozes niet verdelgd. In 1 Samuël 7 lezen we dat Samuël riep tot de HEERE voor Israël; en dat de HEERE hem verhoorde. Maar nu is de zonde van het volk zo verschrikkelijk en zo hemeltergend dat er geen genezen aan is. Nu geldt de voorbede van Gods knechten niet meer, zelfs niet van Mozes en Samuël. Jeremia krijgt zelfs de opdracht om hen, die het nog aandurven om met hun vasten en gebed, hun brandoffer en hun spijsoffer voor Gods aangezicht te komen, uit te drijven. Laat ze maar wederkeren naar de plaats waar ze behoren. De ondergang van het volk is onvermijdelijk. Vreselijk is het oordeel van droogte en hongersnood. De HEERE is het berouw hebben moe geworden (15:6). Het volk zal in de handen van de vijanden worden overgegeven. Het is niet meer mogelijk door het gebed van een rechtvaardige de ban, die tengevolge van de zware en vele zonden op het volk rust, te breken.
Zo was het ten tijde van Jeremia. De HEERE heeft Zijn oordelen over het volk van Juda voltrokken.
Hoe is het nu in ons land? Moet de Heere het ook niet van ons land zeggen, dat wij zo liefgehad hebben om van de Heere af te zwerven en onze voeten niet hebben bedwongen om kwaad te doen? Zijn heilige inzettingen worden met voeten getreden. Het huwelijk, als een heilige inzetting door God Zelf ingesteld, heeft niet alleen veel van zijn specifieke op Gods Woord gegronde aspecten verloren in onze geseculariseerde samenleving, maar dreigt te verworden tot een instituut, waarbinnen de mens zijn zogenaamde vrijheid op seksueel gebied kan uitleven. Terwijl de huwelijksverbintenis tussen één man en één vrouw de op liefde en trouw gebaseerde bedding is waarin de meest intieme gemeenschap tussen man en vrouw gestalte krijgt, om de ongebondenheid van de mens, ook op seksueel gebied, te bedwingen. Gods heilige dag wordt aan alle kanten aangevallen. De rustdag wordt meer en meer een dag van recreatie en vermaak of een gewone werkdag. Wetgeving en beleidsvoornemens op het gebied van abortus en euthanasie miskennen dat het leven een gave van God is en dat onze tijden in Zijn hand zijn. Het is niet aan de mens om daarin naar eigen goeddunken in te grijpen. Criminaliteit, vooral ook onder de jeugd, neemt hand over hand toe. Waarden en normen worden steeds meer losgelaten. Er lijkt maar één norm over te blijven en dat is de mens zelf met zijn lusten en begeerten.
En hoe is het in de kerk? De prediking van vrije genade, waarin de mens op het diepst wordt vernederd en God op het hoogst verheerlijkt, roept meer en meer vijandschap op. Zonder dat daar tuchtmaatregelen op volgen, kan men op vele kansels straffeloos prediken dat de opstanding van Christus geen werkelijkheid, maar fictie is. Wanneer volksvertegenwoordigers in de volksvertegenwoordiging oproepen om weer te keren tot Gods gezegende inzettingen, worden ze in veel gevallen wat meewarig bejegend. Zijn de tijden nabij dat de Heere ook van ons land zal zeggen: ‘Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht; en laat ze uitgaan’? Laten we toch niet in gelatenheid toezien en meegesleurd worden in het moderne denken. Het heeft ons al meer aangetast dan we zelf weten. Maar laten we in verootmoediging en schuldbelijdenis met Jeremia belijden: ‘HEERE! Wij kennen onze goddeloosheid en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd’. Nee, de Heere is aan ons niets verplicht, maar zou Hij op het gebed geen wonderen kunnen doen? Laten we de troon van Zijn genade aanlopen als een waterstroom, voordat de Heere het gebed afsnijdt en we niet zullen weten waar we heen zullen gaan en de verdervende machten ons zullen meeslepen naar de eeuwige ondergang. Ja, zegt u wellicht, maar ik lees toch ook van het herstel van Israël; van de belofte dat de Heere het volk weer terug zal brengen? Dat is waar. God zorgt voor Zijn eigen werk en Zijn uitverkorenen zullen behouden worden. Het woord dat de Heere tot Jeremia richt is voor het volk van Juda echter werkelijkheid geworden. De ballingschap is gekomen. Velen van het volk zijn omgekomen. De Heere waarschuwt ons nog, dat we tot Hem zullen wederkeren voordat het voor altijd te laat is, persoonlijk, maar ook maatschappelijk. Zult u, zul jij, als Gods oordelen komen uw/jouw ziel als een buit mogen uitdragen?
Ds. W. Silfhout
Maar de HEERE zeide tot mij: Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan.
Jeremia 15:1