Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.
Psalm 119 : 18
 
In de verzen 9 tot en met 16 wordt het Woord van God aangewezen als een veilige gids voor de jeugd. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Gods Woord. Gelukkig als we deze gids in ons jonge leven nodig krijgen en we ons aan de Heere mogen toevertrouwen. Het Woord van God en Zijn getuigenis is echter niet alleen een gids voor de jeugd, maar het wil ook tot raad en sterkte zijn voor hen die meer gevorderd van leeftijd zijn. Het is zelfs een gids in de meest moeilijke omstandigheden van het leven. Daarvoor moeten onze ogen wel geopend worden. Daarom bidt de dichter: Ontdek mijn ogen. En dan gaat het zoals de kanttekenaren opmerken niet zozeer om de vleselijke (natuurlijke) ogen als wel om de ogen des verstands. Met deze bede erkent de dichter zijn aangeboren blindheid en verdorvenheid. Hij mag zichzelf in vers 17 wel Uw knecht noemen. Hij weet van genade en ontferming. Hij weet zich in alle dingen aan de Heere onderworpen. Hij weet ook dat hij van zichzelf geen verstand heeft van God en goddelijke zaken. Daarom is hij er verlegen om of de Heere zijn ogen er voor wil openen. Er is zoveel dat het zicht op de wonderen des Allerhoogsten verhindert. Daar is eerst zijn eigen aangeboren blindheid en verdorvenheid. Ook de vijanden zitten niet stil in zijn leven. Als we dit gedeelte van Psalm 119 verder lezen dan zien we dat de dichter zich omringd weet van vijanden. Zelfs de oversten van het volk gaan bij elkaar te rade hoe ze hem verderven kunnen. Daarom de bede: Heere, stel toch Uw wonderen in het licht. In Uw licht zien wij het licht.In zijn eenzaamheid legt hij zijn klacht voor aan de Heere. Hij gevoelt zich een vreemdeling op aarde. De dingen van deze wereld hebben hun bekoring voor hem verloren. Het is alsof we vader Jakob horen: Weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijner vreemdelingschappen.
Als hij vraagt: Ontdek mijn ogen, dan is het niet de bede van iemand die voor het eerst in zijn leven aan de Heere leert vragen of Hij door de werking van Zijn Heilige Geest de ogen wil openen voor de onpeilbare diepe wonderen van Zijn wet. Het is het voortdurende gebed van een kind van God. Hij wenst steeds meer de wonderen van Gods wet in hun getal en in hun diepte te verstaan en daarin ingeleid te worden.
Hij weet dat alleen het Woord van God staande kan houden in alle moeilijkheden en gevaren die hem bedreigen. Hij wil daarin nader onderwezen worden. Wat moeten we onder de wonderen van Gods wet verstaan? We behoeven dat niet te beperken tot de wet van de tien geboden, maar het gaat om het gehele Woord van God. Daarop ziende komen we woorden tekort om de wonderen van de Allerhoogste te vertolken. Want uit dat Woord leren we wie we zijn geworden door de val in Adam. Maar dat Woord leert ons ook het wonder dat er een God in de hemel is, Die van eeuwigheid gedachten des vredes en niet des kwaads heeft gehad om Zich in het verloren menselijk geslacht te verheerlijken met Zijn genade. En daartoe een wonderlijke weg heeft uitgedacht. Een weg waardoor verloren zondaren met God verzoend kunnen worden. Hij gaf daartoe Zijn eniggeboren Zoon. Hij gaf Hem tot een volkomen verlossing. Het wonder bij God vandaan dat een zondaar zalig kan worden met behoud van Gods deugden op grond van de verdiensten van een Ander. Die wonderen in Hem, Jezus Christus, zijn vele en velerlei: Zaligheid voor rampzaligen, onderwijs voor onwetenden, troost voor troostelozen, hulp voor achtervolgden, behoud voor reddelozen. Waar zullen we beginnen en waar zullen we eindigen.
Het mocht wel ons aller bede zijn: Ontdek mijn ogen. Van nature zijn we enkel duisternis en verstaan we niets van de wonderen van Gods wet. Maar bij het licht van Gods Heilige Geest wordt iets verstaan van het Licht dat uit het Woord toestraalt en waarvan kracht, waarheid, troost en sterkte in de duisternis en in moeitevolle wegen van ons leven wordt ervaren.
Doe bij Uw knecht weldadigheid, o Heer’,
Opdat ik leev’, Uw woorden moog’ bewaren,
En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer’,
Mijn oog verlicht’, de nevels op doe klaren;
Dat mijne ziel de wond’ren zie en eer’,
Die in Uw wet alom zich openbaren.

Ds. W. Silfhout