Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!
Psalm 4 : 7
Hoewel dat niet uit het opschrift blijkt, nemen vele verklaarders aan dat deze psalm dateert uit de tijd dat David moest vluchten voor Absalom, zijn zoon. Een moeilijke periode uit zijn leven. Het is een avondlied, zoals blijkt uit vers 9.
Er is een betrekkelijk kleine groep van getrouwen bij hem. Zij hebben David in zijn ongeluk niet verlaten, maar zijn bij hem gebleven. Zij weten echter niet hoe het verder moet. Hoe zullen ze staande blijven tegen de achtervolgers? Velen van hen zijn neergebogen en moedeloos, zij zien geen uitkomst, zij vrezen het ergste. Het hart van een ieder in Israël volgt Absalom na. De opstand breidt zich uit, de ontaarde zoon is met zijn duizenden al over de Jordaan getrokken, zijn vluchtende vader achterna. Het kleine groepje getrouwen rond David is wanhopig. Ze zeggen de gehele dag tegen David: “Wie zal ons het goede doen zien?” David hoort het. Ze zeggen het tegen hem en ze zeggen het onder elkaar. Er is geen vertrouwen in een goede afloop. Ook vandaag zeggen veel mensen: Wie zal ons het goede doen zien? De hele wereld is in verwarring. Als je de krant openslaat lees je niet anders dan van moord en doodslag, in het klein en in het groot. Wie zal ons het goede doen zien? Is dat er eigenlijk nog wel? En u kent die vraag misschien ook wel in uw eigen leven. Als alle dingen tegenlopen. Als ziekte, moeite, rouw, verdriet uw schouders naar beneden drukt. Je weet niet meer hoe het verder moet. Zou er nog wel ooit uitkomst zijn.
Ik denk dat David ook wel moedeloos zal zijn geweest. David, de man naar Gods hart, was ook een mens. En als dan iedereen zegt: “Wie zal ons het goede doen zien?”, dan slaat de twijfel toe, ook bij hen die genade kennen. Niet altijd heeft Gods Kerk houvast aan de woorden van Christus: “In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.” Niet altijd zullen zij in lijdzaamheid hun weg gaan, ziende op de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Strijd, moeite en aanvechtingen blijven Gods kinderen niet bespaard. We zien David aan de avond van de dag in zijn tent. Teruggekeerd van de gang door het tentenkamp, waar het uit vele tenten hem toeklonk: Wie zal ons het goede doen zien? En daar buigt hij zijn knieën. De bange klacht klinkt hem in de oren, maar hij mag er mee bij de Heere terechtkomen. Tegenover het gebrek aan vertrouwen bij zijn manschappen, stelt David het wapen van het gebed. En daar klinkt het uit de mond van David: “Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!” Als de HEERE dat zou doen, dan valt alle vrees en bekommering weg. Want het licht van Gods aangezicht, dat is God Zelf. Van dat aangezicht straalt het heerlijk licht van Zijn volmaaktheden uit, in het bijzonder van Zijn macht, liefde en genade. Heere, verhef Gij! Daar moet het vandaan komen. Zo bad de dichter van Psalm 67:2 “God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten.” Denk ook aan de hogepriesterlijke zegen.
Nee, David kan geen rechten laten gelden. Als de Heere hem zou verlaten zou het recht zijn. Toch kan hij God niet loslaten. Hij zoekt Gods vriendelijk aangezicht. Tegenover de verheffing staat het afkeren en verbergen van Gods aangezicht, wat een teken en openbaring is van Gods toorn. Zo moet de Heere Zijn aangezicht van ons verbergen, omdat we Hem de Schepper van hemel en aarde verlaten hebben en vertoornd hebben door onze zonden. Daarom is het zo donker op de aarde. Daarom wandelen wij van nature niet in het licht, maar in de stikdonkere duisternis. Hoe kan God dan Zijn aangezicht doen lichten? Dat kan alleen omdat de meerdere Davidszoon Jezus Christus in de wereld gekomen is. Hij kwam als het Licht der wereld in de duisternis van ons bestaan. Hij daalde af in de diepste diepten van de duisternis. Hij hing aan het kruis in de donkere nacht van Zijn sterven tussen hemel en aarde, waar God Zijn aangezicht voor Hem verborg. Midden op de dag hing Hij in de duisternis van de nacht van Gods toorn en wrekende gerechtigheid. Daar hing Hij, de Borg en Zaligmaker van Zijn Kerk, van God en mensen verlaten onder de last van de toorn van God. Alle zonden en overtredingen van Zijn volk benauwden Hem en de duivel stortte zich op Hem. Hij peilde daar op Golgotha de diepte van de vraag: “Wie zal ons het goede doen zien?” Nedergedaald ter helle om Christus, het Licht der wereld te zijn. Hij daalde af in de diepten van dood en hel om ze te overwinnen. Hij daalde af in de diepte van de duisternis van zonde en schuld, om verzoening aan te brengen. In die weg kan God Zijn vriendelijk aangezicht over zondaren verheffen door de verlichting van de Heilige Geest.
Niets is zo erg als de verberging van Gods aangezicht. Niets is zo troostrijk als de verheffing van Gods aangezicht in Sions gezalfde Koning. Zijn aangezicht in gunst tot ons gewend, schenkt in het kort verzadiging van vreugde. Als u ziet op uw zonde en schuld, moet u het uitroepen: Wie zal ons het goede doen zien. Niets anders gedaan dan kwaad en niet anders verdiend dan het oordeel. Waar dan heen? Met David op de knieën: Verhef Gij over ons het Licht Uws aanschijns, o HEERE!
En waar de Heere Zijn vriendelijk aangezicht verhief en uw ziel vervulde met heilbespiegelingen, kunt u nu buiten Zijn vriendelijk aangezicht? Wat gaan Gods kinderen toch vaak in het donker over de wereld. Maar er is geen beter medicijn tegen de kwaal van twijfel en wankelmoedigheid dan de verheffing van het licht van Gods aangezicht. Dat alleen kan de duisternis verdrijven en maakt het waar: Gods vriendelijk aangezicht heeft vrolijkheid en licht, voor all’ oprechte harten, ten troost verspreid in smarten. Daarom kan David ook verder in vers 8: Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ten tijde als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. Zouden we ergens anders rust en vrede vinden. Zouden we op enige andere grond in vrede kunnen nederliggen en slapen, dan alleen als de HEERE het waar maakt: Want Gij, o HEERE, alleen zult mij doen zeker wonen? Waar dan heen? Als een smekeling, die de dood verdiend heeft, naar Hem toe en roepen om genade: Verhef Gij!
Ds. W. Silfhout