Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
Kan over uw gemeente gesproken worden als Petrus doet? Ach nee, in plaats van danken moet hij klagen. Het is een schande als men naar onze landgenoten kijkt op de zondagen, de boete- en bededagen. Men moet zeggen, dat er geen tegenhouden meer aan is, zó heeft de zonde het land als een vloed overstroomd; het land is er als door verteerd. Van de morgen tot de avond denkt men aan niets dan om zijn verkeerde genoegens na te jagen en zich vet te mesten voor het oordeel zoals een rund dat bij de slager doet. Hierin dienen u en ik ons te onderzoeken. Onderzoek uw harten; onttrekt u zich daar niet aan. Als u dit niet doet, zult u ter helle varen, want het baat ons niet als wij alleen over de wedergeboorte hebben kunnen prediken en u die preken hebt kunnen horen. Daarom moet u zich onderzoeken. Vlei u niet met uw inbeelding. Wij hebben nog nooit een wedergeboren mens ontmoet, of we hebben moeten vaststellen dat die mens de gelukkigste op aarde geacht mag worden. Wat zegt u hiervan, zondaar? U zegt: Helemaal niet, wij vinden juist de trotse mensen gelukkig. U vindt het een gelukkige situatie als iemand in een koets kan rijden, huizen in bezit heeft, een buitenplaats bezit of een hoge positie, eer en aanzien. Dan kan men immers zeggen: Ik heb voldoende voor vele jaren; en ik heb geen vijanden. Die mensen vindt u gelukkig. Maar een wedergeboren mens zegt: Als ik al die dingen moet missen, dan zal ik daardoor de hemel toch niet missen; en als ik al die dingen bezit, dan zal ik daardoor niet naar de hemel gaan. Ik heb ook nooit een wedergeboren mens gezien, of hij is verbrijzeld van hart geweest; hij heeft grote benauwdheden gekend; hij is verslagen en bedroefd geweest. Maar u, zondaar, als men u eens op uw zonden aanspreekt, dan stuift u op, terwijl een wedergeborene handelbaar en aanspreekbaar is.
We hebben nooit een wedergeborene gekend en wij zijn hem ook niet in de Bijbel tegengekomen, die in verharding kon blijven leven, dan alleen door een verborgen en heilig oordeel. Als zijn hart niet week genoeg is en als het ware gesmolten in berouw, dan klaagt hij zichzelf meteen aan: Waarom verstokt Gij ons hart? (Jesaja 63:17)
Wij hebben nog nooit een wedergeboren mens gezien of gekend, die vervreemd van God kon leven. Als de ziel moet klagen: Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet (Hooglied 2:2), in de tijd van het Heilig Avondmaal of in andere tijden, dan zoekt zij net zo lang tot de Heere Zich weer laat vinden. Maar van deze ervaringen weet u, zondaar, niet af; hoe minder men over God spreekt, hoe liever u het hebt. Een wedergeborene zoekt ook naar andere nauwgezette christenen. Die mensen acht hij zijn beste vrienden. Voor hen legt hij zijn gehele hart open. Maar u, onwedergeboren zondaar, zou wel willen zeggen: O, heb ik u gevonden, mijn vijand! Daarom is dit kenmerk tegen u! Een wedergeboren christen zoekt ook een scherpe en onderscheidende prediking, terwijl de onherboren zondaar zou willen zeggen: Voor ditmaal, ga heen! En als ik gelegener tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen, Handelingen 24:25. We hebben nooit een wedergeboren mens gezien, of hij heeft een levende hoop. Die heeft hij gekregen langs de weg van bekering, van geloof in Christus. Zondaar, u hebt een sterke hoop; ja, u acht uzelf reeds gezegend, maar hoe komt u eraan? We hebben tenslotte nooit een wedergeborene gezien, of hij was ook wel eens dankbaar; hij kan niet rusten voor hij de Heere ook eens met een lofzang heeft ontmoet. Hij zegt wel eens: Heere, is dat Uw werk niet, Uw ring, Uw staf en Uw snoer? Het hart laat zich wel eens gaan in een hartelijke dankzegging. Zondaar, als u merkt dat dit op u slaat en u deze dingen nog mist, dan waarschuwen we u. Zie toe, eer het te laat is! Maar als u om raad vraagt wat u te doen staat, dan zeggen we het volgende. Besef allereerst wat uw ellendige staat is, waarin u tot nu toe bent. Denk ook eens aan wat er volgen zal na de dood. Bedenk dan eveneens hoe broos uw leven is. De dagen van de mens zijn als het gras, Psalm 103:15. De duivel legt al beslag op u; hij wacht al op uw leven! Ga daarom wenend tot de Heere. Zeg dikwijls: Heere, ruk ook mij uit het vuur; ach, kon ik U daar eens voor danken!
Misschien vraagt u aan mij: Als ik zo handel, zal ik het dan ook van de Heere krijgen? Ik antwoord daarop: U kunt dit niet doen om het te verdienen, maar het is de weg waarlangs u het kunt verkrijgen.
Kinderen van God, u die weet van Gods daden, kom en dank de Heere! Als u, geliefden, het immers niet doet, wie zal het dan wél doen? Zullen de doden het doen? Daarom, kinderen van God, kom en verheerlijk God! Daar bent u toe geroepen! Daartoe bent u uitverkoren, gekocht en verlost. U zwijgt als u behoorde te spreken; en als u spreekt, dan gaat het over dingen die uw ziel geen voedsel geven.
Hoe komt het dat Gods kinderen zo vaak zwijgen? Het is omdat zij in de dingen van de wereld verward raken en ze de wereld lief gaan krijgen. Het is ook omdat zij hun gedachten vullen met een aantal onbelangrijke wereldse dingen, en niet in de eerste alles wat de Heere aan hen gedaan heeft in gedachten houden. Kom, schort uw gedachten eens wat op, zoals de apostel het in zijn brief zegt: Opschortende de lendenen uws verstands, vs. 13. Waarom houdt u zich toch zo stil? Roem toch de Heere. Dat is toch veel beter dan al die onbetekenende bedorven praatjes? Waar is uw hoop op God? - Geliefde kinderen van God, Iet eens op wat Paulus zegt: Die nu waarlijk weduwe is en alleen gelaten, die hoopt op God, en blijft in smekingen en gebeden nacht en dag, 1 Timotheüs 5:5. Hoop op uw aanstaande heerlijkheid. Hebt u hier een kruis, het zal hier ook eindigen, Psalm 138. Verblijd u in de hoop; daar ligt uw erfenis! Nog eens, kinderen van God, laat uw wedergeboorte, de opstanding van Christus, die grote barmhartigheid, u doen hopen. Ik zeg: Houd al die dingen gereed; laten ze uw anker zijn waarop u zult drijven. Laat ons dan de grond der hoop tot het einde toe vast behouden, opdat u, als het op sterven aankomt, zult kunnen zeggen: Mijn Heere, langs die weg heb ik die weldaden gekregen. Langs die weg ben ik er aan gekomen. Die hoop is levend en werkzaam geweest, al heeft het me gesmart dat ze niet levendiger is geweest. Zo zult u dan de zalige toekomst en verschijning van onze Heere Jezus Christus mogen verwachten.