Wat staat gij en ziet op naar de hemel?                                                                                               
Handelingen 1 : 11b


Wat we in dit tekstgedeelte lezen, is geen vrucht van de natuurlijke mens. De natuurlijke mens staat niet, maar holt voort op de brede weg naar het verderf. Hij ziet niet omhoog, maar omlaag, zijn ziel is aan het stof gekluisterd.
Het is ook geen vrucht van Gods Kerk, want Jezus' jongeren hadden nooit de weg gekozen door Gethsemané via Golgotha naar de Olijfberg. Maar het was de weg van de Borg. Jezus was in heilige gewilligheid de weg gegaan om Gods deugden te verheerlijken en Zijn uitverkorenen door recht te verlossen. En in die weg leidt Hij ook Zijn Kerk. Daarom staan de discipelen daar. Ze kunnen verklaren hoe ze daar gekomen zijn. Ze hebben geen oog voor de wereld, die heeft alle waarde verloren. Ze hebben geen oog voor het vrome Jeruzalem. Ze hebben ook geen oog meer voor elkaar en voor zichzelf. In wegen van ontblotende genade zijn ze van alles afgebracht en is er voor hen niemand overgebleven dan Jezus alleen. Het is hier niet alleen een opzien met de natuurlijke ogen, bovenal met geloofsogen, want deze jongeren zien wat de natuurlijke mens niet ziet en waar veel van Gods kinderen over in strijd en in bekommering zijn. Ze staan hier onder een geopende hemel. Dat getuigt van het eenzijdige genadewerk Gods. In Adam hadden ook zij de hemel gesloten en zich de weg naar de diepte van eeuwige Godverlatenheid ontsloten. Dat was zielspraktijk geworden in hun leven.
Er was een opzien gekomen tot een gesloten hemel en ze hadden ingeleefd dat zij de hemel nooit door gestalten of eigengerechtigheid konden openen. Maar nu staan ze hier in heilige verwondering. Want om deze toegang tot de gemeenschap met God voor hen te herstellen, ja, om de mens terug te brengen bij God, moest Jezus de hemel verlaten. Als Borg was Hij afgedaald in de verlorenheid van Zijn Kerk. Hoe diep? Tot in de diepte van Godverlatenheid en van de goddelijke toorn. Zo diep als Zijn uitverkorenen zichzelf moedwillig hadden gebracht. Ten volle had Jezus doorleefd wat een gesloten hemel was. De minste gunst van Zijn Vader was Hem daar onthouden, opdat Hij met Zijn gehoorzaamheid en bloedgerechtigheid de toegang tot God zou openen.
In Handelingen 1 lezen we hoe de Kerk hiervan de bate krijgt. Jezus heeft niet alleen verzoening bij de Rechter aangebracht, maar heeft de Zijnen ook teruggebracht in de gemeenschap des Vaders. En nu mogen de discipelen door het geloof de troost hiervan ontvangen. Dat geloofsoog houdt niet op bij de wolk die Jezus van hen wegnam. Zij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond. Nu Hij de reinigmaking hunner zonden door Zichzelf teweeggebracht heeft, is Hij gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen.
Wat staat gij? Het is een staan in geloofsovergave. Zij hoeven niets meer te doen. Als het regerend Hoofd van Zijn Kerk is Hij hun Bewaarder en Regeerder. Hier zijn geen gesloten deuren, maar hier is een geopende toegang. Hij is ook een tussentredende Jezus, Die met Zijn bloed in het hemelse heiligdom is ingegaan.
Hij opent voor hen de hemel door Zijn verzoening en in Zijn voorbidding draagt Hij Zijn hele volk op Zijn hogepriesterlijk hart.
Wie heb ik nevens u in de hemel? Nevens u lust mij ook niets op de aarde. Wanneer de verheerlijkte Jezus zo alles mag zijn, wat is er dan beneden nog te zien of te vinden?
Het is de gezegende vrucht van Zijn hemelvaart om heel de wereld, eigen kracht, eigengerechtigheid, eigen gebeden te verliezen.
Wat staat gij? Er is ook een heimwee en verlangen in hun opzien. Naar de vervulling van Zijn belofte om hun de Trooster te zenden, Die altijd bij hen blijven zal. Ze zullen echter niet altijd zonder Jezus' gemeenschap blijven. De engelen troosten hen met Zijn wederkomst.
Is dat ook uw troost? Of zullen we Hem dan als onze Rechter ontmoeten? Bedenk wat het is om onder een gesloten hemel te leven, voort te hollen en zo te sterven. In deze Middelaar heeft God echter een weg geopend waardoor helwaardigen nog een thuiskomen bij God verkrijgen.

Ds. C A. van Dieren