Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam des HEEREN.
Psalm 118:26a
We verkeren weer in de weken voorafgaande aan het Kerstfeest. Velen brengen deze dagen door in het zoeken naar een sfeer van gezelligheid en licht in deze naar de natuur donkere dagen. Er is een volk dat uitziet naar het ware Licht. We horen ze in Psalm 118 roepen. Deze psalm is een Messiaanse psalm. Hij werd gezongen bij de inwijding van de tweede tempel na de Babylonische ballingschap. Ten diepste gaat het echter om de Messias en Zijn komst in deze wereld. Hij is de steen die door de bouwlieden is verworpen, maar van God tot een hoofd des hoeks is geworden. Hij is de levende Steen, de Hoeksteen. Die Hoeksteen is Jezus, de Zaligmaker, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar. Zo schrijft de apostel Petrus er over. De teruggekeerde ballingen zagen uit naar de koning. En ze hebben de koning gezien, die kwam om de regering over het land op zich te nemen. Maar de welkomstgroet voor de koning gaat over de aardse koning heen naar Hem, Die komen zou in volheid des tijds. Zij, die onder het oordeel hadden mogen buigen, hebben het uitgeroepen: Och HEERE, geef nu heil; och HEERE, geef nu voorspoed. En daarin drukken ze uit het verlangen naar de grote dag, wanneer de tempel vervuld zal worden met de heerlijkheid van de komende Christus. Zij weten, dat het alleen van de Heere kan komen. Het gaat om de gezegende van de Vader. Hem willen ze verwelkomen. Zo wil de Kerk des Heeren van alle eeuwen de Koning verwelkomen. Want Hij is het immers Die alleen hun heil kan volmaken. Hebt u zo al geleerd uw lege handen uit te strekken naar Hem? Want het ware adventvolk kan het met niemand minder doen dan met Jezus. Die komt in de Naam des Vaders.
Nee, niet zo, als in de tijd van de omwandeling van de Heere Jezus op de aarde. De feestgangers in Jeruzalem hebben deze woorden van Psalm 118 uitgeroepen bij de intocht van Jezus in de heilige stad. Maar spoedig daarna veranderde het in: Kruis Hem, kruis Hem!
Hier zijn het de gevangenen Sions, die door ’s Heeren hand alleen zijn gered uit de ballingschap. Maar die daaraan niet genoeg hebben, maar verlegen zijn om de Koning te mogen aanschouwen. Naar Hem zien ze uit. Soms mogen ze wel eens geloven dat de Heere het waar zal maken: “Ziet, deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid.” Zo vaak gaan ze echter in het donker en kunnen ze maar niet geloven dat het licht nog eens zal opgaan in de duisternis. Maar zie, Hij komt. Hij maakt plaats in de beestenstal van een zondaarshart voor Zichzelf. En waar Hij door Zijn Geest honger en dorst verwekt naar Zijn gerechtigheid, stamelt de ziel: “Kom in, Gij gezegende des Vaders”. Dan worden ze verlegen om Zijn komst, om Zijn genade, om het vertroostend licht van Gods aangezicht. Dan is de naam Jezus hen als een uitgestorte zalf. Want Hij komt met Goddelijke volmacht. Hij komt in de Naam des HEEREN. Hij kwam in de tijd om te doen wat Hij van eeuwigheid op Zich had genomen. Hij kwam om het recht van Zijn Vader te bevredigen. Hij kwam om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen. Hij werd met Zijn hart Borg voor Zijn Kerk. Hij kwam om in hun plaats de zonde te dragen, de schuld te verzoenen, het leven en de gerechtigheid te verwerven en al die weldaden mee te delen aan een wederhorig kroost. Gezegend zij de grote Koning, Die tot ons komt in ’s HEEREN Naam. Wij zeeg’nen U uit ’s HEEREN woning, Wij zegenen U altezaam. Hij kwam in Zijn diepe vernedering. En waar Hij komt in het hart met Zijn onuitsprekelijke troost en vree, daar wordt het verlangen geboren om Hem eeuwig groot te maken. Want Hij komt! Hij komt om eens Zijn Kerk thuis te halen. Als Hij intrek heeft genomen in uw hart, dan weet u wat aan Jezus hebt. Dan hebt u in Hem alles gevonden wat u alleen maar zalig maken kan. Ziet Hem, Hij komt. Zie dan uit naar Hem. Naar Zijn komst in uw hart, maar ook naar Zijn wederkomst om met de dochteren van Sion deze Koning in het huis des HEEREN eeuwig te loven en te prijzen.
Ja, Hij komt ook om te oordelen de levenden en de doden. Verschrikkelijk zal het zijn als het van ons gelden moet: Die Zijn verschijning niet lief heeft, zij een vervloeking. De gezegende van de Vader strekt Zijn handen nog uit en roept u toe: Wend u naar Mij toe en wordt behouden! Het kan nog, want er is in Hem een overvloeiende zegen, zelfs voor de grootste van de zondaren.
Ds. W. Silfhout