“En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden”
1 Petrus 4 : 7
 
Het menselijk geslacht doezelt weg in een dromerig leven. De ogen vallen dicht en we schikken ons in de gemakkelijkste houding. Met een tevreden gezicht leven we

ons leven op die wijze die ons het meeste rust geeft. Wij slapen (1 Thessalonicensen 5 : 6-7). De zorgen van het leven ontnemen ons het gezicht op de werkelijkheid. We leven dikwijls alsof het niet op kan, of er geen einde aan komt. Calvijn schrijft dat bijna allen zichzelf het eeuwige leven beloven op de wereld. Wat hebben we veel bezigheden, zelfs in onze ouderdom.  
Ja, natuurlijk worden we wel eens opgeschrikt en denken we wel eens even wat verder, maar met onze slaapverwekkende middelen en oplossingen blijft het toch een doodsslaap. Verontschuldigingen en uitvluchten zijn er genoeg en we sussen onszelf. Blijkens bovengenoemd hoofdstuk uit de eerste brief van Petrus lopen ook Gods kinderen het gevaar weer weg te dromen en niet meer wakker te zijn. Daarom zet de apostel de bazuin aan de mond en roept: “Het einde aller dingen is nabij”. Hij roept op ernstig rekening te houden met de voorlopigheid van dit bestaan. Al weet de apostel niet hoe lang het nog duurt, al schrijft hij daarover ook niets, het is toch nabij. Op de eerste komst van Christus moet persé de tweede komen. Die kan niet lang uitblijven. We leven met Petrus immers in de laatste bedeling. Er zal geen volgende periode wereldgeschiedenis volgen. Met grote vaart nadert die dag. Alle dingen eindigen dan, maar alle mensen zullen opstaan om geoordeeld te worden. Zo nabij is die dag, dat we ons niet kunnen veroorloven te slapen. We moeten terdege op onze hoede zijn. Wij moeten “nuchter” zijn. De apostel bedoelt daarmee niet de kille nuchterheid waarmee mensen over de dood kunnen spreken, alsof het een noodlot is. Hij doelt op bezonnen inzicht en wakkerheid. De werkelijkheid moeten we eerlijk onder ogen durven zien. Nee, niet in een flits en vluchtig, maar met bezadigde en ernstige nuchterheid. Het is immers nodig met waarachtige overdenking onze verlorenheid te Ieren kennen en onze schuld te zien. Wanneer onze ogen geopend zijn voor de realiteit, ziet de wereld er anders uit en zien we onszelf als verloren mensen op een zich naar de ondergang spoedende wereld. Wanneer we zo “wakker” mogen worden, staan we nu reeds voor Gods Aangezicht als veroordeelden. De gulle evangelieprediker R.M. M'Cheyne zong daarvan:
Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt,
Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt,
Toen voelde ik wat eisen Gods heiligheid deed:
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.

Deze nuchterheid is niet tijdelijk, maar moet dikwijls vernieuwd worden in het leven van de Kerk, opdat er plaats komt en er nog meer plaats kome voor het volgende vers van M'Cheyne: “Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered, Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet”.
Aan deze nuchterheid is het gebed onlosmakelijk verbonden. Wiens ogen open gaan, gaat vanzelf In de nood bidden. De slaapverwekkende middelen helpen dan niet meer afdoende en we kunnen de rust niet meer vinden in de dingen die zullen eindigen. Was de Kerk maar meer wakende aan Zijn poorten en sliepen de discipelen maar minder. Dan was er meer gebed en meer kennis van Christus.
Het oordeel begint, ja is reeds begonnen, bij het huis Gods (vers 17). De ontbindende macht holt de kerken uit en het waarachtige leven wordt minder gevonden. De satan probeert de uitverkorenen te verleiden en wanneer Christus zal wederkomen, zal Hij dan nog geloof vinden op aarde? (Lukas 18: 8). O, zeker, de Heere gaat door en vergadert Zijn Kerk en houdt haar in stand, maar wat blijft er over van Sion? Nee, dit staat niet in het Woord om alle moed te benemen, maar om ons van de ernst der zaak te doordringen en ons te doen haasten. Want indien het oordeel bij de Kerk begint, welk zal het einde zijn dergenen die het Evangelie ongehoorzaam zijn? Als we eens mochten meezingen:
Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis  
dat Christus alleen mijn gerechtigheid is.

Mochten er nog velen uit hun doodslaap worden opgewekt door de almachtige stem Gods. De Heere neme de kandelaar van Zijn Woord onder ons niet weg en moge Zijn Sion verlevendigen en verder leiden om te mogen opwassen en met McCheyne de gerechtigheid van Christus te mogen omhelzen.

Ds. P. van Ruitenburg