"Is het wel?"
2 Koningen 5 : 21b
Een indringende vraag!Wanneer de een de ander ontmoet wordt vaak de vraag ge¬steld: ‘Hoe gaat het met je?’ Dat gebeurt vooral als je elkaar een poosje niet gezien hebt. Het is een vraag naar de welstand van de ander. Het kan ook een aanleiding zijn om een gesprek aan te knopen. Ook in de Schrift vinden we deze vraag.
Laban vroeg Jacob naar de welstand van zijn vader Izak; Jozef vroeg zijn broers hoe het met zijn vader Jacob ging; David vroeg Ahimaäz naar de welstand van Absalom. Meerdere voorbeel¬den zijn te noemen. Niet altijd wordt deze vraag uit verbon¬denheid en liefde gesteld. Vaak is het slechts een vraag uit beleefdheid. Zo stelde Naäman Gehazi de vraag: ‘Is het wel?’ De aanleiding tot en het antwoord op deze vraag laten we maar rusten. Het is eigenlijk een droeve geschiedenis. De Heere beware ons voor zulke zaken. Niettemin bevat deze gebeurtenis een ernstige waarschuwing voor ons allen. De Heere neemt het nauw. We kunnen niet straffeloos zondigen. En zeker geldt dit als de Naam en de Eer des Heeren er mee gemoeid zijn.
Maar laten we deze vraag eens overdenken. Wat is ons antwoord als de Heere u/jou vraagt: ‘Is het wel, dat wil zeggen jongere,oudere, hoe gaat het er mee?’ Als mensen elkaar deze vraag stellen wordt bijna altijd op lichamelijke of maatschappelijke welstand gedoeld. Hoe gaat het met je muziek, studie, gezondheid? Maar als de Heere deze vraag stelt gaat het in de eerste plaats om de welstand van onze ziel! Gaat het wel goed met u? Met andere woorden: is de verhouding tussen Mij en uw ziel wel goed? Kunt u Mij ontmoeten? Hoe staat u tegenover het Werk en Offer van Mijn Zoon? Als de Heere ons vragen stelt, zijn ze nooit oppervlakkig bedoeld, maar altijd indringend. Het gaat om de hele mens: ziel en lichaam. Let op de volgorde: ziel en lichaam. Draai de volgorde niet om. Door de zonde lijden we allen aan een ongeneeslijke zielenkwaal. Een kwaal waaraan we moeten en zullen sterven. Nee, zo zijn we niet geschapen. De Heere schiep de mens naar Zijn Beeld en Gelijkenis. Maar door de zonde is de dood in de wereld gekomen. Sterven is ons loon op de zonde. Vanwege onze zonden zijn we van nature kinderen des toorns die in het rijk Gods niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden. Er is een onrein¬heid van onze ziel. Ons doopformulier spreekt er zo ernstig van.
Waarom stelt de Heere ons deze vraag? Hij is toch de Alwetende. Het is omdat Hij ons behoud op het oog heeft. Het is opdat deze vraag ons stil zou zetten en wij er mee bezig zouden zijn. Dat is nuttig, ja noodzakelijk. Overdenk deze vraag eens. U bent misschien heel druk. Ons hart is misschien vol van de dingen van deze wereld. Maar wat is uw antwoord op 's Heeren vraag: ‘Is het wel?’ Hebben de goedertierenheden, die we van dag tot dag ontvangen,ons tot bekering geleid? Bekering is inkeer tot onszelf, afkeer van de aardse zaken en terugkeer tot de levende God. Alle mensen moeten sterven. Maar de vraag is wanneer? En omdat we de dag van ons sterven niet weten, klemt deze vraag te meer. Bekering is voor u heden nodig!
Misschien gevoelen we dat het niet wel met ons is en we de Heere niet kunnen ontmoeten. Dat we het bloed van Christus nodig hebben tot verzoening van onze grote schuld. Misschien gevoelen we de onmogelijkheid van onze kant om het goed te krijgen. Maar laat er dan toch het gebed en de stille verzuchting zijn: ‘Heere, herschep mijn hart en reinig Gij, o Heere, die vuile bron van al mijn wanbedrijven. Doe mij Uw stem horen. Genees mijn ziel want ik heb tegen U gezondigd.’
Wat antwoorden we de Heere op Zijn vraag? Is dit uw antwoord: ‘Heere, U weet alle dingen. U weet dat ik U niet meer kan missen en mijn hart naar U uitgaat.’ En wie zo een beroep doet op Gods Alwetendheid en Genade zal niet beschaamd uitkomen.
Gij die God zoekt in al uw zielsverdriet,
Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven;
Nooddruftigen veracht Zijn goedheid niet,
Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.
Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven;
Nooddruftigen veracht Zijn goedheid niet,
Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.
Ds. B. van der Heiden