"En Zijn mond geopend hebbende..."
Matthéüs 5 : 2a
De woorden van de tekst maken deel uit van de Bergrede. Daarin opent zich een goudmijn, waarin elke ader vol kostbaar goud is. In deze Bergrede openbaart de Christus der Schriften Zich in het bijzonder in Zijn profetische bediening, waartoe Hij van eeuwigheid van de Vader is verordineerd en in de tijd bekwaam gemaakt. Hij, Die bedeeld is met de Geest zonder mate, spreekt hier de woorden Gods als machthebbende.Deze Bergrede en ook zaligsprekingen, die aan het begin ervan staan, worden vaak op een verkeerde wijze toegepast. Alsof het daarin alleen zou gaan om de verhouding tussen mensen onderling. Als we nu maar doen wat Jezus in deze rede ons voorhoudt, dan zal er op deze aarde wel vrede komen en dan zal de heilsstaat vanzelf ontstaan. Maar de Heere Jezus verkondigt niet een sociaal Evangelie, maar de goede boodschap voor verloren Adamskinderen. Dat neemt uiteraard niet weg, dat we niet moeten staan naar gerechtigheid en naar vrede in deze wereld. Maar het doel van de Heere Jezus met de Bergrede is, dat er mensen zullen zijn, die net als de Samaritaanse vrouw zullen gaan uitroepen: Ziet een Mens, Die mij alles gezegd heeft, wat ik heb gedaan. Opdat er in die weg plaats komt voor Hemzelf als de Zaligmaker van zondaren in het hart. En opdat de levensvernieuwing door Zijn Geest gewerkt in het hart van Zijn kinderen hen ook in het maatschappelijke leven doet wandelen tot Zijn eer.
Zijn prediking is ook zo anders dan die van de Schriftgeleerden en Farizeeën. Deze houden het volk voor, dat in het onderhouden van de Wet en de profeten de zaligheid is gelegen. Daarbij voegden zij vele eigengemaakte geboden en inzettingen. Zij legden het volk lasten op te zwaar om te dragen en zelf hielden zij zich er niet aan.
De Heere Jezus leert de schare echter wat gekend moet worden tot zaligheid. Hij is niet gekomen om de Wet of de Profeten te ontbinden, maar om die te vervullen. Er is iets anders nodig dan de eigengerechtigheid van de eigenwillige godsdienst. De grote Profeet zegt het in vers 20: “Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger is dan der schriftgeleerden en farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.” De verhouding tot God moet weer hersteld worden en dat is alleen mogelijk door de betaling van de schuld van en het voldoen van de straf op de zonde. Daartoe is Christus gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Voor hen, die in zichzelf geen gerechtigheid overhouden, wordt dat een wonder. Zouden er zulke verloren zondaren in zichzelf hebben gezeten aan de voeten van de Meester? Hij is gezeten op een berg en daar opent Hij Zijn mond. Daar gaat de mond open van Hem, Die woorden spreekt van eeuwig leven. Die, zoals Hij Zelf zegt in het hogepriesterlijk gebed, de Naam des Vaders bekend maakt aan de mensen die de Vader Hem uit de wereld heeft gegeven, opdat het welbehagen van Zijn Vader gelukkiglijk voortgang zal vinden. Hij is de ware Wijsheid. Hij opent Zijn lippen waarin genade is uitgestort. Daarom kan God alleen met zondaren te doen hebben, omdat Hij Zijn mond geopend heeft.
Er komt een ogenblik dat Hij zal zwijgen. Als Hij staat voor Zijn beschuldigers dan zal Hij zwijgen, omdat Hij Zich als een lam ter slachting wil laten leiden. Maar daarna zal die mond weer opengaan als Hij hangt tussen de hemel en de aarde en het zal klinken: Het is volbracht. Daarom kan Hij armen van geest zalig spreken. Daarom worden hongerigen en dorstigen met goederen vervuld. Daarom zullen treurenden vertroost worden en de zachtmoedigen het aardrijk beërven.
Hij opent telkens Zijn mond als het Woord gepredikt wordt. Hij komt in het gewaad van Zijn Woord tot ons. Hebben we Zijn stem al gehoord? Heeft Zijn stem ons al uit de dodelijke slaap, waarin we van nature allen verkeren opgewekt? Is Zijn Woord al doorgedrongen tot in het diepst van ons hart? Hebben we onszelf al leren kennen als een arme van geest? En hebben we leren treuren vanwege ons Godsgemis? Welk een troostrijke woorden vloeien er dan van Zijn lippen als Hij daar zit op de berg en de schare naar Hem luistert. Als Hij aan het einde is gekomen van de Bergrede, dan lezen we dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer. Wat het uitgewerkt heeft in de harten van de hoorders weten we niet. Wel zijn hem velen gevolgd. Hoe verkeren wij onder het Woord? Luisteren we ook met ontzetting? Of zoals onze kanttekenaren zeggen: verbaasd, verslagen, met verwondering en beroering van hun gemoed? We kunnen zo onbewogen neerzitten onder de prediking. Als het Woord geopend wordt vinden we het vaak zo vanzelfsprekend, dat we Zijn stem niet opmerken. De Heere moge Zijn Geest voegen bij Zijn Woord, opdat het Woord kracht zal doen in onze harten. Want, laten we daarvan toch overtuigd zijn, als de Heere Jezus Zijn mond opendoet en spreekt, dan zal Zijn Woord nooit ledig tot ons wederkeren, maar het zal doen wat Hem behaagt. Zal het dan tot een oordeel of tot een voordeel voor ons zijn?
Ziet u er naar uit, dat Hij tot uw ziel zal spreken? Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft. Op Zijn tijd. Daarom wachtte de dichter op de Heere en hoopte hij op Zijn Woord. Er zijn geen rechten en we kunnen geen aanspraken laten gelden waarom Hij zou moeten spreken. Maar wat kan er in het leven van een arme zondaar een verlangen zijn naar één woord van Zijn lippen: Heere, spreek slechts één woord. Houd maar aan, grijpt maar moed. Jezus opent Zijn lippen op de bergweide in Galilea om woorden van zaligheid en leven te spreken. Niet tot rijken, niet tot verzadigden, niet tot alles bezittenden. Hij wendt Zich tot hen, die van een verbroken geest en een verslagen hart zijn en die voor Zijn Woord beven.
Ds. W. Silfhout