"En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde."
Lukas 22 : 15

Christus spreekt hier Zijn verlangen uit om met Zijn discipelen door het eten van het pascha gemeenschap te oefenen. Eer dat Hij de verschrikkelijke pijnen naar ziel en lichaam zal ondergaan. Het is niet uit te drukken wat Christus in de laatste uren van Zijn leven op aarde geleden heeft. Welke smarten Hem zijn aangedaan. Welke pijnen Zijn lichaam gefolterd hebben. Welke zielsbenauwdheid Hij heeft ondergaan. Spot en hoon is Zijn deel. Hij zal bekleed worden met een spotkleed en gekroond met een doornenkroon, waarvan de doornen diep in Zijn hoofd zullen indringen. De nagels voor de kruisiging zullen Hem zonder medelijden door de handen worden gedreven. Als de Man van smarten zal Hij hangen aan het kruishout op Golgotha.
In die weg bereidt Hij voor Zijn volk een volkomen verlossing. Hij gaat de weg Hem door de Vader voorgesteld. Hij draagt de straf, die ons de vrede aanbrengt, door Zijn striemen is ons genezing geworden. Hij heeft Hem krank gemaakt.
Met dat verschrikkelijke lijden in het vooruitzicht spreekt Christus hier van Zijn begeerte om met Zijn discipelen het pascha te houden. Een hartstochtelijk verlangen dat voortkomt uit de liefde tot Zijn Vader. Hij wist dat Zijn ure gekomen was. Het einde van Zijn leven op aarde kwam naderbij. Hij wilde de beker tot de laatste druppel toe ledigen. Hij was vol verlangen om Zijn werk te volbrengen. Het werk dat Hij van eeuwigheid op Zich had genomen. Het houden van het pascha wees heen naar Zijn bloed dat op Golgotha zou vloeien. Het betekende en verzegelde dat de rechtvaardige God op grond van bloedstorting verzoend was. Door het sterven van het Paaslam Christus zou de Vader een volkomen genoegdoening vinden in Christus’ offerande. Het pascha was voor de Heere Jezus een gedachtenismaaltijd, dat Hij nu spoedig zou overwinnen door Zijn bloed en Zijn Kerk zou bevrijden uit de macht van de zonde en de duisternis.
Juist dit pascha aan het eind van Zijn leven was voor Jezus tot bemoediging, dat het verschrikkelijke, wat Hem te wachten stond, niet tevergeefs zou zijn. Hij weet dat de Vader lust heeft in Zijn offerande. Daarom begeert Hij grotelijks dit pascha met Zijn discipelen te houden.
Ook voor de discipelen is het een bijzonder uur. Zij voelen dat het er om gaat spannen. Hun hart is vervuld met droefheid. Zullen ze hun Meester kwijtraken? En juist dan spreekt hun Meester deze wonderlijke woorden: Ik heb grotelijks begeerd. Beschamend onderwijs. Als Hij niet de Eerste zou zijn geweest in hun leven dan was het voor eeuwig kwijt. Als Hij niet steeds de Eerste zou zijn, dan kwam er niets van terecht. De begeerte ging niet uit van de discipelen, maar van de Meester Zelf. Als er een begeerte in ons hart is om de dood des Heeren te verkondigen, totdat Hij komt, dan is dat alleen omdat Hij ons eerst heeft begeerd. Hij heeft Zijn Kerk uit de hand van Zijn Vader ontvangen. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.
De Heere Jezus wil met Zijn discipelen het pascha eten. Dat wil zeggen, dat Hij gemeenschap met hen wil oefenen. De schaduwdienst is voorbij. Nu wil Hij in de tekenen van brood en wijn in het Heilig Avondmaal afdalen tot Zijn volk en als hun oudste Broeder hen verzekeren van hun aandeel in al Zijn goederen, het eeuwige leven, de gerechtigheid en de heerlijkheid. Hij heeft door Zijn bloedstorting de oorzaak van onze eeuwige honger en kommer weggenomen. Door nu de gemeenschap met hen te oefenen, wil Hij hen niet alleen verzekeren van hun deelgenootschap aan Hem, maar hen ook bemoedigen voor de strijd, die gestreden moet worden. Het schaduwachtige van het pascha vindt nu zijn vervulling in het Heilig Avondmaal, dat de Heere Zelf heeft ingesteld tot versterking van het geloof van Zijn kinderen.
Zijn begeerte strekt zich uit tot de discipelen. Hij zegt: met u! Niet met de geestelijke leidslieden in Jeruzalem. Maar met eenvoudige mensen uit Galilea. Mannen door Hem Zelf getrokken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Die op Zijn stem: Volgt Mij, gekomen zijn en onvoorwaardelijk Zich aan Hem hebben leren overgeven. Vaak vol twijfel en ongeloof. Toch kunnen ze Hem niet loslaten, omdat ze nergens anders vergeving van hun zonden, verzoening van hun schuld, eeuwig leven en gerechtigheid vinden dan in Jezus alleen. Met al hun twijfels en vragen is er toch een betrekking op Hem. Zij hebben het getuigd: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Dat was geen vrucht van hun akker. Vlees en bloed heeft hen dat niet geopenbaard, maar de Vader, Die in de hemelen is. Door Gods Geest overtuigd, zijn ze als arme zondaren terecht gekomen aan Zijn voeten.
Met u. Niet vele edelen, niet vele machtigen, maar met arme zondaren. Met arme tobbers, die ziende op zichzelf uitroepen: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Met hen, die zich moeten aanklagen, dat zij geen volkomen geloof hebben, dat ze nog zo aan de dingen van deze wereld gebonden zijn, dat ze zo vaak in het duister hun weg gaan, dat ze de Heere zo kunnen vergeten, dagen zonder getal. En die daarover een innerlijk verdriet hebben en aan de weet komen, dat het alleen van Hem kan komen, Die machtig is om de banden te verbreken. Want niets kon Zijn lijden tegenhouden. Hij moest deze weg gaan. En Hij is deze weg gegaan om Zijn volk te bevrijden van het verderf, van de dood, van alle machten van de boze. Hij is de grote Doorbreker. Het Israëlitisch paasfeest was het feest van het sparend voorbijgaan. Israël bleef in tegenstelling tot Egypte gespaard, omdat het bloed van het lam aan de posten en de bovendorpel van de huizen van de Israëlieten was aangebracht. Maar nu is er het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, dat reinigt van alle zonden. Johannes heeft Hem aangewezen: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Zie dan op Hem, Die in de tekenen van brood en wijn Zijn kinderen wil verzekeren, dat zo dikwijls zij dit brood eten en van deze drinkbeker drinken, zij daardoor als door een gewisse gedachtenis en pand, vermaand en verzekerd worden van Zijn hartelijke liefde en trouw jegens hen, dat Hij voor hen de dood is ingegaan. Ik heb grotelijks begeerd, zegt de Meester. Wonderlijke woorden, beschamende woorden, voor de discipelen die nog niet één uur met Hem kunnen waken, maar die Hij draagt op Zijn hogepriesterlijk hart.
Hongerige en dorstige zielen wil Hij met Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed spijzen en laven ten eeuwige leven. Kent u die honger en die dorst? Of staat u er buiten? Neem dan, nu het nog het heden van de genade is, de toevlucht tot Hem, want Hij is een volkomen Zaligmaker. Hongerigen wil Hij met goederen vervullen. Rijken worden ledig weggezonden. Niet ons begeren, maar Zijn begeerte naar Zijn volk maakt het wonder van zalig worden uit. De vrije gunst die eeuwig God bewoog krijgt in deze gezegende Middelaar Gods en der mensen gestalte. Heeft Hij al een gestalte in uw hart gekregen?

Ds. W. Silfhout