… gingen zij uit naar de Olijfberg. Matthéüs 26 : 30b
Jezus ging uit
Wat was het goed geweest in de Paaszaal. De discipelen zaten daar met Jezus aan tijdens die bijzondere maaltijd, waarin als het ware het laatste Pascha overging in het eerste Avondmaal. Zeker, de Heere Jezus had met Zijn jongeren gesproken over Zijn heengaan en ontroering had hun hart vervuld. Ze begrepen nog zo weinig van de lijdensgangen van Christus. De Heere moet overal licht over geven. Anders verstaan we het niet. Maar al had Jezus dan over zulke ingrijpende dingen gesproken, wat was het de discipelen goed geweest aan Zijn tafel. Ze hadden daar wel willen blijven. Daar weten al Gods kinderen van. Het is zo wonderlijk goed in Zijn gemeenschap, in Zijn nabijheid. We zouden daar wel willen blijven. We zouden die gevoelige genietingen van Zijn liefde wel vast willen houden.
Maar nu lezen we hier, dat zij uitgingen naar de Olijfberg. Ze konden daar in die Paaszaal niet blijven. Jezus moest uitgaan en vertrekken om de volle diepte van Zijn bitter lijden en sterven in te gaan. Hij moest uitgaan om ook voor Zijn discipelen de zaligheid te verwerven. Maar ze begrepen het niet. Nu ging Jezus de nacht in. Nu kwam er een eind aan dat gevoelige genieten van Zijn nabijheid. Er zijn in het geestelijke leven zoete en zalige tijden, maar zo blijft het niet. Jezus moest uitgaan en Zijn volk moet uitgaan. U kunt in Mara en Elim, waar de Heere alles zo wonderlijk goed maakte, niet blijven. U moet verder. De woestijn weer in. De nacht in. In de woestijn en in de nacht krijgt het Middelaarswerk van Christus waarde. Waar we in onszelf de dood overhouden en alle gevoelige genietingen ons ontvallen, daar zullen we leren, dat het leven buiten ons ligt, alleen in die lijdende en stervende Zaligmaker. En daarom “gingen zij uit naar de Olijfberg”. Nu moesten de discipelen de plaats van het genieten verlaten en achter Hem de nacht in.
Waarheen vertrok Hij? “Naar de Olijfberg.” Hij ging naar de plaats waar Hij gewoonlijk heenging. Naar de Olijfberg, of nauwkeuriger naar die hof aan de voet van de Olijfberg, naar de hof van Gethsémané. Dat was de plaats waar Jezus Zich gewoonlijk afzonderde om te bidden. Keer op keer lezen we, dat Jezus de eenzaamheid opzocht om te bidden, om samen met Zijn Vader te spreken. Daarin heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten. Kennen wij ook de plaatsen van het gebed? De plaatsen waar we ons hart voor de Heere hebben uitgestort, waar we onze zondeschuld en onze nood hebben uitgezegd en uitgeweend, maar waar we ook hebben ervaren, hoe de Heere Zich wonderlijk ontfermen kan over schuldige zondaren. Kennen we zulke plaatsen in ons leven? Waar geestelijk leven is, al is het nog zo pril en nog zo teer, daar komt behoefte aan de stilte, om daar Gods Aangezicht te zoeken in het gebed. Het geestelijke leven zoekt gemeenschap met God in het gebed. We leven in zo’n jachtige en rommelige tijd, we worden zo meegesleept door de beslommeringen van het leven, veel mensen zijn zelfs bang geworden voor de stilte, maar kennen we nog de zegen van het alleen zijn? En dan bedoel ik het alleen zijn met God.
Zo zocht Jezus na de Paaszaal, toen Hij was uitgegaan in de nacht, die eenzame gebedsplaats weer op. Jezus wist wat er komen zou, dat Judas die plaats ook kende en dat de bende zou komen om Hem te vangen. En toch onttrok Hij Zich niet. Toch ging Hij niet naar een andere plaats. Ook nu, juist nu, ging Hij naar gewoonte naar die plaats. Zie daarin Zijn gewilligheid. Nee, Hij ontwijkt die plaats niet, ook al zal daar straks het geweld van de hel over Hem heengaan. Zo gewillig ging Hij uit. Zo gewillig ging Hij als de goede Herder Zijn leven afleggen voor Zijn schapen. Hij was gewillig om het offer der verzoening te brengen.
Is die gewillige Jezus u al dierbaar geworden? Wij zijn zo gewillig niet. Wij willen het kruis ontlopen en de beproevingen vermijden. En als het door de diepte heengaat, hoe kan ons hart vol opstand en onverenigdheid zijn. We kunnen gemakkelijk over eenswillendheid spreken, maar we moeten eenswillend gemaakt worden. Maar zie nu de gewilligheid van Jezus in Zijn uitgaan naar de plaats, waar Hij gewoonlijk Zijn hart voor de Vader uitstortte. Hij gaf Zich gewillig om op die plaats overgeleverd te worden in de handen van de zondaren. Zijn gewilligheid blijkt ook uit het eerste gedeelte van dit dertigste vers, waar we lezen, dat Jezus met Zijn discipelen eerst de lofzang gezongen had, zoals tijdens het Pascha de gewoonte was. Dan zong men het Hallel, dat wil zeggen de psalmen 113 tot en met 118. Zingend ging Jezus de diepte van het lijden in.
Waarheen vertrok Hij? “Naar de Olijfberg.” Hij ging naar de plaats waar Hij gewoonlijk heenging. Naar de Olijfberg, of nauwkeuriger naar die hof aan de voet van de Olijfberg, naar de hof van Gethsémané. Dat was de plaats waar Jezus Zich gewoonlijk afzonderde om te bidden. Keer op keer lezen we, dat Jezus de eenzaamheid opzocht om te bidden, om samen met Zijn Vader te spreken. Daarin heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten. Kennen wij ook de plaatsen van het gebed? De plaatsen waar we ons hart voor de Heere hebben uitgestort, waar we onze zondeschuld en onze nood hebben uitgezegd en uitgeweend, maar waar we ook hebben ervaren, hoe de Heere Zich wonderlijk ontfermen kan over schuldige zondaren. Kennen we zulke plaatsen in ons leven? Waar geestelijk leven is, al is het nog zo pril en nog zo teer, daar komt behoefte aan de stilte, om daar Gods Aangezicht te zoeken in het gebed. Het geestelijke leven zoekt gemeenschap met God in het gebed. We leven in zo’n jachtige en rommelige tijd, we worden zo meegesleept door de beslommeringen van het leven, veel mensen zijn zelfs bang geworden voor de stilte, maar kennen we nog de zegen van het alleen zijn? En dan bedoel ik het alleen zijn met God.
Zo zocht Jezus na de Paaszaal, toen Hij was uitgegaan in de nacht, die eenzame gebedsplaats weer op. Jezus wist wat er komen zou, dat Judas die plaats ook kende en dat de bende zou komen om Hem te vangen. En toch onttrok Hij Zich niet. Toch ging Hij niet naar een andere plaats. Ook nu, juist nu, ging Hij naar gewoonte naar die plaats. Zie daarin Zijn gewilligheid. Nee, Hij ontwijkt die plaats niet, ook al zal daar straks het geweld van de hel over Hem heengaan. Zo gewillig ging Hij uit. Zo gewillig ging Hij als de goede Herder Zijn leven afleggen voor Zijn schapen. Hij was gewillig om het offer der verzoening te brengen.
Is die gewillige Jezus u al dierbaar geworden? Wij zijn zo gewillig niet. Wij willen het kruis ontlopen en de beproevingen vermijden. En als het door de diepte heengaat, hoe kan ons hart vol opstand en onverenigdheid zijn. We kunnen gemakkelijk over eenswillendheid spreken, maar we moeten eenswillend gemaakt worden. Maar zie nu de gewilligheid van Jezus in Zijn uitgaan naar de plaats, waar Hij gewoonlijk Zijn hart voor de Vader uitstortte. Hij gaf Zich gewillig om op die plaats overgeleverd te worden in de handen van de zondaren. Zijn gewilligheid blijkt ook uit het eerste gedeelte van dit dertigste vers, waar we lezen, dat Jezus met Zijn discipelen eerst de lofzang gezongen had, zoals tijdens het Pascha de gewoonte was. Dan zong men het Hallel, dat wil zeggen de psalmen 113 tot en met 118. Zingend ging Jezus de diepte van het lijden in.
Hij zong Gods lof zelfs in de nacht. Zien we hier in alles dan niet de gewilligheid van de Borg?
In Zijn gewilligheid doet Christus nu verzoening over al de onwilligheid in het leven van Zijn kinderen. Gaat uw weg door de diepte van beproevingen heen? Smeek toch om de bediening uit een gewillige Borg. Daardoor mag een onwillige zondaar ook iets leren van die gewilligheid. Gewillig onder het kruis, gewillig in de nacht, gewillig in de beproevingen, nee het is geen vrucht van onze akker. Maar het is een zoete vrucht uit de bediening van deze gewillige Zaligmaker. En wat is het goed om het met God eens gemaakt te worden. Dan kan de Heere u geen kwaad meer doen. Dan is het goed, wat de Heere doet. Zoete onderwerping, die rust geeft in het onrustige hart. Dat heeft die dierbare Jezus verworven in de diepten van Zijn lijden.
Zie hier ook Zijn liefde. Het is liefde, die Hem gewillig deed uitgaan in de nacht. Liefde tot de wil en het welbehagen van de Vader. Maar ook liefde tot allen, die de Vader Hem gaf. Hij heeft ze liefgehad tot het einde. Daarom ging Hij gewillig uit de Paaszaal naar de Olijfberg. Wie kan die liefde peilen? Liefde voor opstandelingen en onverbeterlijke zondaren. Liefde tot het einde, want hier gaat Hij de nacht in, maar straks zal Hij de nacht van de dood en de Godverlatenheid ingaan. Zo heeft Hij ze liefgehad tot het einde.
Wat dunkt u van deze lijdende Jezus? Buiten Hem is geen leven. Dan moet u de eeuwige nacht in, zonder ooit nog één lichtstraaltje. Maar in Hem is het leven. En achter Hem is het goed. De discipelen gingen achter Hem. Nergens is het beter dan achter Hem in Zijn voetstappen. Dan moet u wel achter Hem de nacht in. Dan leert u wel de dood overhouden in alles wat Jezus niet is. Maar dan gaat het toch naar het leven. Hier al als Hij Zijn gemeenschap doet ervaren. En straks als de woestijn voorbij is en God zal zijn alles en in allen.
Ds. J.J. van Eckeveld