Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrots, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet en uw gedaante is lieflijk.

Hooglied 2 : 14

Jezus’ duive

De hemelse Bruidegom spreekt Zijn beminde bruid aan met: Mijn duive. Een eeuwig bewonderenswaardige naam! Dit is een afgrond, die nooit te peilen is. Hoewel door de zonde zo'n grote kloof is gekomen tussen God en de gevallen mens, wil de Hoge en Verhevene - Die in de eeuwigheid woont en wiens Naam heilig is - neerzien op zo'n zondige made en nietige aardworm. Hij wil die tot zijn bruid en eigendom aannemen. Hij spreekt haar liefderijk aan met: Mijn duive. De duif is vanouds beroemd om haar oprechtheid. Daarom zegt Jezus: "Zijt oprecht gelijk de duiven".

Mijn duive. Hiermee drukt de Bruidegom Zijn tedere zorg en nauwkeurige bewaring over haar uit. Echter, de plaats waarin de duif zich thans bevindt, wordt beschreven als de kloven der steenrots, het verborgene ener steile plaats. Een eenzame plek, waarheen de bruid was gevlucht. Dit vluchten in steile plaatsen geschiedt vaak door een vallen in zonden.

Daardoor schaamt de ziel zich om zich onder 's Heeren volk te begeven. Zij verliest de vrijmoedigheid om zich als Jezus' bruid te vertonen. Dit vluchten geschiedt ook uit traagheid en wereldgezindheid. Dan houdt de duif zich verborgen om voor Jezus' zaak uit te komen en haar licht te laten schijnen. Dat is een zondige vlucht. ln veel opzichten is de steenrots dus een plaats van ongestalten. Het is tevens een gevaarlijke plaats.

Enerzijds, om hoe langer hoe verder van eigen woning verdreven te worden; anderzijds, omdat in de kloven van de steenrotsen het wild gedierte verkeert. ln alle opzichten leert een gelovige ziel zien, dat zij door haar vluchten haar toestand niet beter zal maken.

De Bruidegom nu spreekt Zijn bruid aan: Toon Mij uw gedaante. Zo wil Hij ze tot haar plicht vermanen. Zoals u zich bevindt, leg uw hele weg en wandel voor Mij bloot. Wil maar niets voor Mij verbergen. O, Hij roept telkens: Kom tot Mij om u te vertonen, zwart en lieflijk. Jezus' eer is er aan verbonden, dat zij niets voor Hem verbergen. Zijn liefde en almacht niet verdenken.

Ja: Doe Mij uw stem horen, tot vrijmoedige belijdenis. O, wat zullen de oprechten zich hier schuldig kennen, dat er zoveel zondige vrees, schaamte en voorwendsels bestaan; dat zij te zondig zijn; dat zij geen bekwaamheid, geen gedaante of stem bezitten; dat zij bespot zullen worden; dat het de Heere niet welbehaaglijk zal zijn.

Toch worden zij door Jezus bemoedigd en opgewekt: Want uw stem is zoet en uw gedaante is lieflijk. Wat is dit voor een waar ontdekte en verootmoedigde ziel een wonder, dat de Heere zó over haar oordeelt! Beschouwt zij haar stem in haar bidden en in al haar gesprekken, dan roept zij uit: Wee mij want ik verga, dewijl ik één van onreine lippen ben. Als zij de heiligheid inziet van Zijn dienst, o, dan is daar te weinig eerbied, ernst en liefdesdrang bij. Haar woorden moesten meer met zout besprengd zijn. Maar hoor de Bruidegom Ziin bruid eens aanspreken: Uw stem is zoetl

Laat ons zien, welke stem aan de Heere zoet is. Het is stem van de levende klacht over de zonde, gemis, onbekwaamheid, in- en uitwendig, om Gods raad hier uit te dienen en om in zijn roeping bij de Heere te blijven. Het is de stem der tranen, die Gods volk stort over de zonden en het verlaten van Gods wet. Het is de stem van de verzuchting om reiniging en heiliging.

Tenslotte zegt de Bruidegom: Uw gedaante is lieflijk! De Heere bemoedigt Zijn Efraïms, die op de heup kloppen en Zijn tollenaren, die op de borst slaan en van verre staan, dat Hij een welbehagen aan hen heeft. O, wat is dit een wonder voor een ziel – in wie de farizeeër aanvankelijk gestorven is - die zich met Paulus als de grootste zondaar of zondares heeft leren kennen. Die zal met verwondering uitroepen: Hoe kan mijn zondige gedaante in die vlekkeloos reine ogen des Heeren lieflijk zijn? Wat was voor God de gedaante lieflijk van een boeteling als David, van een beschaamde Daniël, van een opstaande verloren zoon, van een wenende Maria, van een biddende Saulus. Dit alles toont ons de lieflijkheid der genade, die zich openbaart onder al die zielverfoeiende wanstaltige gedaanten!

Geliefden, de schone en kostelijke genadestaat - volgens ’s Heeren woord en het leven van Gods kinderen – openbaart Zich dan óók in een omhelzing van die gehele Middelaar, om in die Bruidegom gevonden en geborgen te worden. Om met de ganse Bruidskerk met Jezus' kostelijk bruiloftskleed versierd te mogen zijn. Opdat Hij getuige, door Zijn genade aan haar verheerlijkt: Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u, Hooglied 4:7.

Ds. E. Fransen (1827 - 1896)