En in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.               

Genesis 12 : 3b

Uitzicht op de komende Christus

Met macht en met majesteit had de stem des Heeren geklonken in Abrams leven: “Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.” De Heere beloofde hem daarbij dat hij tot een groot volk zou worden en gezegend zou worden. Daarbij voegde de Heere de belofte, dat in hem alle geslachten des aardrijks gezegend zouden worden.

Wat een wonderlijk Woord, tot Abram gesproken, terwijl hij nog midden in het heidendom leefde in Mesopotamië, in Ur. En het wonderlijke? Abram geloofde de stem, die tot hem sprak. Het Woord Gods sloeg als een bliksemstraal in zijn leven in. Het was een Woord met macht. En dan kan een mens niet anders meer dan onder dat Woord vallen. Zo was het met Abram in Ur.

Is het ook zo met u geweest? Hebt u ooit zo de majesteit van het Woord gevoeld, dat u er onder vallen mocht?

Dat is nodig in ons leven. We hebben zoveel preken gehoord, maar wat heeft het Woord in ons leven uitgewerkt? Zijn al die preken langs u heengegaan? Of zijn er wel eens preken geweest, die indruk op u maakten, maar zijn die indrukken weer voorbijgegaan?

Het is een wonder als een mens vallen mag onder het Woord.

Dat is het werk van de Heilige Geest. Dan leert u amen zeggen op het Woord Gods.

Als het Woord u veroordeelt, dan is het: “Amen Heere, ik ben die zondaar, die schuldige.” Dan gaat het niet meer over een ander, maar dan wordt u persoonlijk zondaar voor God, zodat u zich diep verloren gaat weten voor Zijn heilige Majesteit.

Als het Woord dan spreekt over Gods gerechtigheid, dan is het: “Amen Heere, ik kan voor Uw recht niet bestaan. Als u het vonnis aan mijn verloren leven voltrekken zou, dan kan ik alleen maar zeggen, dat het recht zou zijn.” Maar als het Woord dan ook gaat spreken over Christus en als de Zaligmaker dan vanuit het Woord gaat oplichten voor uw schuldige ziel, dan is het: “Amen Heere, naar die Zaligmaker strekt zich al mijn lust en liefde uit.” O, dan wordt Christus u zo dierbaar, zo noodzakelijk. Dan vindt u geen rust meer, voor u weten mag in Hem geborgen te zijn. Al Gods kinderen weten wat het is om zo door het Woord overwonnen te worden.

Abram werd zo door het Woord overwonnen, dat hij alles in Ur verliet, om uit te gaan naar een onbekend land, naar een land dat God hem wijzen zou. In Zijn Woord had de Heere het uitzicht geopend op de komende Christus. In hoeverre Abram dat hier al beseft heeft, weten we niet. In ieder geval heeft Abram later in zijn leven van verre de dag van Christus gezien.

Toen de Heere sprak, dat in hem alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden, liet Hij daarin opgaan het licht van de komende Zaligmaker. Abram zou volgens Gods belofte een talrijk nageslacht hebben, talrijk als de sterren aan de hemel en het zand aan de oever van de zee. Dat was een rijke zegen.

Maar nog veel rijker was het, dat in hem alle geslachten des aardrijks gezegend zouden worden. Waarom? Omdat uit hem Christus zou voortkomen en omdat in Christus alle geslachten van de aarde gezegend zouden worden.

In deze woorden schijnt het licht van Advent. Het licht van de verwachting van de Zaligmaker. Christus zou voortkomen uit Abram. Hij zou de weg gaan van Bethlehem tot Golgotha. Hij zou alles volbrengen. In Hem zou Gods heilig recht genoegdoening vinden.

En zo zou er in Hem zaligheid zijn voor verloren mensenkinderen. En dan niet alleen voor de Joden, maar ook voor de heidenen, voor alle geslachten des aardrijks. Van dat wonder sprak de belofte aan Abram, die al in Ur tot hem kwam. Dit Woord sprak van Christus, in Wie al Gods beloften ja en amen zijn. Hij Zelf is de grootste zegen, die de Heere ooit gegeven heeft in een wereld, verloren in zonde en schuld. Dat licht is opgegaan in Bethlehem in de Kerstnacht, “een Licht tot verlichting der heidenen” (Luk.2:32a). Christus zou tot zegen zijn voor alle geslachten des aardrijks. Johannes heeft op Patmos de vervulling gezien: een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle volken. Christus zou loon hebben op Zijn arbeid.

Abram heeft van verre Christus gezien en naar Hem uitgezien. Hij leefde in de verwachting van Advent. En u?

Heeft Christus voor u al waarde gekregen, zodat u naar Hem leerde uitzien? Dan bent u uw eigen waarde kwijt geraakt, dan bent u een waardeloze voor God geworden. In de nacht van uw verlorenheid leerde u, wat het zeggen wil, dat er van u uit nooit meer een weg tot God is, omdat zelfs uw beste werken zonde zijn voor God.

Maar dan is het Evangelie ook voor u open gegaan, zodat u van verre iets mocht zien van die Zaligmaker. U staat zo van verre, maar toen heeft Hij uw hart ingenomen, zodat er een uitzien kwam naar Hem.

O, dat Hij ook tot uw ziel zou komen! Dat is toen het uitzien van uw hart geworden.

Wat een wonder zou het zijn als u werkelijk Kerstfeest zou mogen vieren en met het Kind in de armen het Simeon zou leren nazeggen: “Nu hebben mijn ogen Uw zaligheid gezien.”

Wanhoop maar aan uzelf, maar niet aan de Heere.

Abram is met Hem niet beschaamd uitgekomen en niemand, die het op hoop tegen hoop van Hem leert verwachten, zal beschaamd worden.

Uitziende harten zullen Kerstfeest vieren. Verlaat dan het Ur van alles buiten Christus maar, om uit te gaan op Zijn spreken.

Kent u dat Adventsuitzien niet? Het is nog genadetijd.

De Heere gebruikte Zijn Woord om Abram uit Ur te trekken.

Dat Woord komt ook tot u. “Wendt u naar Mij toe en wordt behouden.” Laat het in de Adventsweken dan uw bede zijn: “Heere, wil ook mij trekken door Uw Woord.”

Ds. J.J. van Eckeveld