Want zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.
Romeinen 8 : 14
De apostel Paulus stelt in hoofdstuk 8 van de Romeinenbrief een nieuw thema aan de orde. Heeft hij hoofdstuk 7 afgesloten door te spreken over de inwendige strijd tussen vlees en geest in het leven van Gods kinderen, in hoofdstuk 8 toont hij aan wat de voorrechten zijn van hen, die in Christus Jezus zijn.
Omdat Christus uit de doden is opgewekt, zo zullen ook hun sterfelijke lichamen eenmaal worden opgewekt door Zijn Geest Die in hen woont.
Wat moet dat nu in de praktijk van alle dag voor gevolgen hebben? Welke schuldige plicht brengt dat met zich mee?
Wel, dat “wij zijn schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven” (vers 12). De reden voor die schuldige plicht is, dat als we naar het vlees leven, zo zullen wij sterven (vers 13). Maar indien gij door de Geest Gods de werkingen, de praktijken van het lichaam doodt, zo zullen wij leven.
De werkingen van het lichaam zijn de hartstochten en begeerten van het vlees die zich door middel van de lichamelijke mogelijkheden van de mens willen uiten. Deze moeten ter dood gebracht worden. Maar hoe zal die schuldige plicht door een mens, die moet uitroepen “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods” kunnen worden vervuld? Is hij daartoe zelf in staat?
Nee, maar zij die door genade kinderen Gods zijn, die worden door de Heilige Geest geleid. Het geestelijk denken en wandelen naar de Geest is het genadevoorrecht van Gods kinderen.
Door Gods Geest geleid worden is het gevolg van het kindschap. Tegelijk is de inwoning en de leiding van de Heilige Geest een bewijs van het kindschap. Een bewijs van die bijzondere liefdevolle relatie tussen God en Zijn volk, die zijn grond vindt in het offer van Christus op Golgotha.
De Heilige Geest is het Die in het uur van de levensvernieuwing het Woord toepast en de zondaar opwekt uit de dood en levend maakt.
Het is ook de Heilige Geest, Die intrek neemt in het hart om die zondaar te leiden. Dat betekent niet alleen ‘de weg wijzen’, maar ook ‘meevoeren en besturen’.
De Geest verlicht de Schrift. Die zondaar gaat God en zichzelf leren kennen. Zichzelf in zijn vloekwaardigheid en verlorenheid en Jezus in Zijn algenoegzaamheid en dierbaarheid. De Heilige Geest verlicht daartoe het verstand en buigt de wil om. De wil wordt op God gericht en gaat vragen: “Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?” Zij komen met geween en smekingen en de Heere leidt hen in een rechte weg aan de waterbeken van ontferming en vertroosting.
Hoe doet de Heilige Geest dat in het leven van Gods kinderen? Zij worden immers door de Geest geleid. De Geest leidt hen meer en meer in de verdorvenheid van hun bestaan. Hij leert dat het niet maar één of enkele zonden zijn waardoor ze Gods eer hebben aangerand, maar dat ze tegen al de geboden Gods zwaar en menigmaal overtreden hebben en dat ze in zonden ontvangen en geboren zijn.
In de weg waarin alle verwachting van zichzelf ophoudt en alle eigen werken de doodssteek krijgen voert de Heilige Geest hen tot Christus, opdat ze gaan leren dat er geen andere Naam onder de hemel is waardoor ze moeten zalig worden, dan de naam van Jezus. En als in het dal van Achor hen de deur van hoop wordt geopend en de Heilige Geest hun geloofsoog verlicht om op Jezus te zien, dan verstaan ze er iets van dat er geen andere weg was om aan Gods gerechtigheid te voldoen dan door de dood van de Zoon van God. Dat er geen andere weg was om hen tot Gods kinderen aan te nemen dan door het verzoenend lijden en sterven van Christus. Zo leidt de Heilige Geest de kinderen Gods tot de geloofsvereniging met Christus. Het is alleen om Zijnentwil dat ze tot Zijn kinderen en erfgenamen worden aangenomen.
De Heilige Geest leidt hen op de verdere levensweg. Hij leidt hen door de afgronden van hun hoogmoedige bestaan om hen hun rechte plicht te leren en steeds maar weer als een arme zondaar te brengen aan de voeten van hun Meester. Hij leidt hen door de ontdekking van hun krachteloosheid en machteloosheid naar de Fontein des levens en der kracht, Jezus Christus.
Hij voert hen door de Mara’s, waar het water bitter is, naar de Elims, waar ze een ogenblik mogen rusten aan Zijn voeten.
Hij doet ze weer optrekken en voortreizen, de loopbaan lopen, totdat die beëindigd wordt op Gods tijd.
Alzo hebt Gij Uw volk geleid, opdat Gij U een heerlijke Naam zoudt maken (Jesaja 63:14b). Een heerlijke Naam, want daar gaat het om.
De Heilige Geest leidt hen zo, dat Christus een gestalte in hun hart verkrijgt, dat ze door de kracht van Zijn Geest zoeken de dingen die boven zijn en bedenken de dingen die boven zijn.
En wij allen, zegt Paulus in 2 Korinthe 3:18, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. Gaat de weg door de diepte, de Heilige Geest leidt hen er door.
Dringt het kruis diep in in het vlees, de Heilige Geest leidt tot de grote Kruisdrager.
Het gebed: “Och schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest, dat Die mij op mijn paân ten leidsman strekke” vervulle de harten van Gods kinderen.
Want zij die de aanneming tot kinderen verkregen hebben, willen toch ook door de Geest geleid worden?
Zij verstaan toch de dichter die bad: “Maar wat klaag ik, Heer’ der heren?
Mijn begeren is voor U, in al mijn leed, met mijn zuchten en mijn zorgen, niet verborgen; daar gij alles ziet en weet”? En toch: Zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.
Lezer, is dat ook uw deel? Want die niet door de Geest worden geleid, dat wil zeggen, die niet door de Geest zijn vernieuwd en door Hem geleid worden, zijn geen kinderen van God.
Zij staan niet in een bijzondere liefdevolle relatie tot God, maar zij zijn kinderen des toorns.
Als we nog naar het vlees wandelen en niet naar de Geest, dan zullen we niet van heerlijkheid tot heerlijkheid vernieuwd worden, maar in de eeuwige rampzaligheid wegzinken.
Bidt daarom om de werking van Gods Geest. Zendt Heere, Uw licht en waarheid neder. Want die de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.
Ds. W. Silfhout