"Want hij zal zijn als een boom... …welks blad niet afvalt;"
Psalm 1 : 3a
GEEN VALLEND BLAD
Het is herfst. Wij zien het overal rondom ons. De bomen hebben hun vruchten gedragen en nu laten zij hun blad vallen. Het vallende blad stemt weemoedig. Het doet ons zien, dat niets bestendig is hier op aarde. In het voorjaar stonden de bomen met het nieuwe loof en de schone bloesems, als tekenen van het nieuwe leven dat uitbotte. Nu roept het vallende blad ons toe: sterven!
Gods Woord gebruikt dit als een beeld van het menselijk leven! Wij allen vallen af als een blad. De natuur toont ons de gang van het leven: opgaan, blinken en verzinken; uitbotten, bloeien, sterven! Wanneer wij eens rustig de boom bezien en het blad zien vallen, laat dan het herfstgetij ons er toch eens bij bepalen: gelijk het blad nu van de boom valt, val ook ik aanstonds van de boom van het menselijk leven. Wij gaan sterven! Gods Woord spreekt echter ook van een boom, waarvan het blad niet afvalt. Laten wij daarop ook letten, wanneer wij de bladeren zien dwarrelen. De bovengenoemde tekst noemt zo de godzalige en betuigt dat hij is als een boom, welks blad niet afvalt. Dit is een beeld, dat ons spreekt van het nimmer stervende leven. Alle menselijk leven is de dood onderworpen. Het leven, dat uit God is, is voor de eeuwigheid bestemd en zal eerst daar volkomen zijn, waar de dood niet meer heerst. Het gebruikte beeld leert ons, dat dit iets bijzonders is. Schier iedere boom op aarde laat op zijn tijd zijn blad vallen. De dichter wijst dan ook in dit woord op het bijzondere van dit leven. Dit leven is pas leven in de eigenlijke zin van het woord. Wat hier op aarde leeft, draagt de kiemen van de dood in zich, alreeds dan, wanneer het uitbot. Dit leven kan echter zelfs door de dood niet aangetast worden. Dat is het geestelijk leven. Dat moet tussen wieg en graf in ons gelegd worden, als een vrucht van de krachtdadige werking van de Goddelijke genade. Die genade Gods is soeverein en
vrijmachtig. De Heere verheerlijkt die naar het welbehagen van Zijn eeuwige wil in de harten van dood- en doemwaardige zondaren en zondaressen. Van nature missen wij dit leven Gods. Alle kennis en onderzoek zal ons dit leven Gods niet deelachtig maken; alle verdienstelijkheid en ijver sluit God hierbij buiten. Het strijdt wel tegen het hoogmoedige gevoelen van de zich op eigengerechtigheid verlatende mens, maar het is toch waarlijk zo troostrijk voor de aan zichzelf ontdekte en met zijn diepe doodstaat bekendgemaakte mens, dat God vrijmachtig en om niet dit ware geestelijke leven schenken kan en zal. God is altijd de eerste. Het is niet zo, dat wij van de aarde op kunnen klimmen ten hemel, maar God daalt neer ter aarde om vijanden te trekken uit de strikken van hun diep bederf en dodelijke vijandschap en hen te begiftigen met het nieuwe leven. Dat nieuwe leven is, zoals alle leven, aan groei onderworpen, maar in tegenstelling met alle andere leven, nooit meer aan sterven. Dat leven kan niet gedood worden door welke kracht of werking ook, maar het leeft door. Ja, zelfs de natuurlijke dood zal dit leven niet doen beëindigen, maar slechts de beletselen wegnemen die verhinderen dat dit Ieven zich volkomen ontplooien kan. Hier zal een kind des Heeren nooit kunnen leven, zoals men dat wenst. Men zou van alle zonde bevrijd, volkomen voor de Heere willen leven, omdat Hij dat zo overwaardig is. Dat zal echter voor de toekomst bewaard blijven. Wat is die mens dan ook onuitsprekelijk gelukkig te achten, die onder de kracht van deze Goddelijke belofte valt; hij zal zijn als een boom, welks blad niet afvalt; die niet meer sterft. Sterven betekent afgesneden te worden van de Bron des levens. Het vallende blad wordt losgemaakt van de leven mededelende wortels.
Toen de mens zichzelf van God, de Bron des levens, afsneed, stierf hij de geestelijke dood waarop de natuurlijke en eeuwige dood onvermijdelijk volgen moest. Wanneer God de zondaar zaligt, lijft Hij hem Christus in door het geloof. Die zondaar kan zichzelf niet meer afsnijden van Hem, Die als de Boom des levens aangemerkt wordt. Dat geloof ligt niet vast in de zondaar, maar in Christus, en zijn zaligheid ligt vast in het werk van Jezus Christus.
Buiten Christus is er geen leven mogelijk, alleen in Hem is het leven. Daaromtrent hebben wij ons dan ook te onderzoeken of er ooit in ons leven een tijd kwam, dat de Heere ons, door verheerlijking, van soevereine genade, als een doodwaardige zondaar door Zijn Geest Christus inlijfde en of wij in Hem vruchten gedragen hebben. Vruchten van de waarachtige verootmoediging, de verbrijzeling des harten, de innerlijke boetvaardigheid, het steunen op Zijn gerechtigheid, het toevlucht nemen onder Zijn vleugelen en al die heilige eigenschappen van het waarachtige geloof.
De bladeren vallen. Zij roepen ons toe: sterven! Van het menselijk leven worden wij aanstonds afgesneden als een vallend blad! Kent gij dan iets van dit leven, dat niet meer sterft? Beproeft u ernstig naar de regel van het Woord. Mist gij dit leven? Haast u!
En zo u iets ervan mocht doorleven, weet dat de Heere betuigd heeft en Zijn Woord waarachtig is: Hij zal zijn als een boom, welks blad niet afvalt. Dan leeft gij immer voort, ja eeuwig!
Wijlen Ds. A. Vergunst