Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde.                                                 

Ps. 34 : 7a

In de spelonk van Adullam overdenkt iemand zijn afgelegde weg. Die overdenking brengt hem tot verwondering en aanbidding: dat leidt tot zingen en de opwekking aan anderen (ook aan jonge mensen, vers 12a!) om méé te zingen, omdat de Heere het zo waard is om gediend en gevreesd te worden.

Vanuit Davids persoonlijke ervaring verwoordt hij het geluk van al Gods 'ellendigen' en daartegenover de schrijnende armoede van degenen die vervreemd van deze genade en de vreze des Heeren zijn. Hoe arm zijn we zonder deze God, hoe rijk met Hem!

Over zichzelf is hij zo uitgepraat.

In dat ene woord 'ellendige' ligt eigenlijk alles wat hij van zichzelf zeggen kan. Maar over de eenzijdige ontfermingen Gods, de blijken van Zijn trouw en de kracht van Zijn levendmakende genade in Christus komt deze ellendige niet uitgezongen.

Daar is dan ook alle reden toe gebleken. Luister maar naar de beleving van David’s hart en leven.

Met wie wil de Heere te doen hebben? Naar wat voor mensen wil de Heere horen? Welke mensen wil de Heere verlossen uit al hun benauwdheden? Dat is nu het onbevattelijke wonder, wat David ook zo gunnend maakt. Overdenk eens de weg die hij aflegde: een doolweg. Met leugen en list naar Nob (lees 1 Samuël 21), steeds verder van de Heere af, rust zoekend voor zijn vlees in een eigenwillige weg. En daarna dat droeve dieptepunt, bij de vijanden van de Heere en Zijn volk, namelijk de Filistijnen. Hij heeft zich vrijwillig in het hol van de leeuw begeven en in plaats van rust vindt hij grote benauwdheden. Hij wordt direct herkend en bedreigd.

Daar heeft een kind des Heeren zichzelf willen redden door zich als een krankzinnige te gedragen. Op het doolpad vóórt ... de naam des Heeren doen lasteren, de ziel verwond met dit vreselijke kwaad, verdwaasd en verblind door de zonde. Het zou toch verdiend geweest zijn, wanneer de Heere zo één totaal aan zichzelf had overgegeven?

Dat ligt allemaal in 'deze ellendige': mijn schuld, mijn dwaasheid en mijn afmakingen voor de Heere en de mensen. Te midden van dat alles, in het paleis van Abimelech (= titel) Achis bleek dat deze ellendige 'riep'. Terwijl hij probeert zichzelf te redden door de rol van een krankzinnige te spelen, roept hij toch nog tot de Heere om hulp. Een onwaardige dwaas, die zichzelf in deze 'al zijn benauwdheden' gebracht heeft, wordt - o, onbevattelijke zondaarsliefde! - door de Heere gehoord en verlost. Het wordt door de Heere zó bestuurd, dat Achis hem niet doodt of gevangen neemt, maar over de grens laat zetten, in het land waar deze ‘razende’ hoort. Deze wonderlijke wending heeft David als de duidelijke leiding van de Heere ervaren, Die hem vol van 'vrezen' (vers 5b) toch niet losliet.

'Hij handelt nooit naar onze zonden'. Stapt de Heere dan zomaar over de zonden heen? Nee, beslist niet, want 'het aangezicht des Heeren is tegen degenen die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien' (vers 17).

Maar nu door wederbarende genade te ervaren: ‘De Heere is nabij de gebrokenen van hart en Hij behoudt de verslagenen van geest’ (vers 21).

Zó was de weg naar de spelonk van Adullam, zó is het onderwijs van een geredde.

Zó blijft de Heere de Onveranderlijke in Zijn trouw voor Zijn ellendigen. Er is geen diepte van de inhoud van dat woord 'ellendige', maar ook geen einde aan: De Heere hoorde’. Waarom? Omdat er Eén ellendige, hangend tussen de hemel en aarde, geroepen heeft in verlatenheid van Zijn Vader en Hij is niet verlost uit al Zijn benauwdheden.

Onbevattelijk, dat toen de hemel bleef zwijgen. Déze Ellendige riep schijnbaar tevergeefs en verdiende het leven.

Nu zullen zulke ellendigen, door eigen schuld doodswaardig, niet tevergeefs roepen, want de Heere hoort en verlost.

Alléén om dat diepe geheim 'om Jezus wil'.

Kunt u het lied van deze ellendige van hárte meezingen?

Ds. G.J. van Aalst