Komt, gij kinderen! Hoort naar mij! Ik zal u des HEEREN vreze leren.                           

                                                                                                             Psalm 34:12

Kom en luister! De kinderen worden door David, de man naar Gods hart, opgewekt om te luisteren naar de stem des Heeren. Hier is iemand, die zelf het onderwijs ontvangen heeft van de Heere. Hier is iemand, die zelf ervaren heeft, wat het is als God Zich over een zondaar ontfermt, zoals we vinden in vers 7: "Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde, en Hij ver­loste hem uit al zijn benauwdheden." David wil dat ook de kinderen weten wie de Heere wil zijn. David wil bekendmaken, dat ook nog jonge mensen in Zijn dienst welkom zijn.

Deze psalm heeft betrekking op de tijd, dat David zijn toevlucht zocht bij Achis in Gath, in het Filistijnse land, om het zwaard van Saul te ontvluchten. Om het lijden te ontvluchten. En dan aangekomen in de stad wordt hij door de dienaren van Achis herkend. Hebben zij niet van hem gezongen: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tien­duizenden! Als David dat merkt, verzint hij een list om uit de stad te komen. Hij stelt zich aan als een razende. Wonderlijk genoeg reageert Achis daarop met zijn vrijlating. Zo ontsnapt David.

Maar toch heeft David, blijkens deze psalm, zijn nood in deze weg aan de Heere geklaagd. Hij zat gevangen temidden van zijn eigen vijanden. In de val gelopen. Nog even en hij wordt gevangen. Maar als een ellendige heeft hij geroepen. Als een waterstroom heeft hij de Heere aangelopen. En uit die grote nood heeft de Heere hem verlost.

David heeft het ervaren: "De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen die Hem vrezen." David mocht de Heere zelf ootmoedig vrezen, want ondanks het aanstellen van David bij Achis bleef hij toch een kind van God. Hoorde hij bij degenen die de Heere van harte vrezen. Dat was toch het verschil met Saul. Die vreesde God niet. Wel een ander hart, maar nooit een nieuw hart.

Onze kinderen moeten geleerd en onderwezen worden aangaande de vreze des Heeren. Zij moeten weten wat bekering is. Zij moeten weten dat zij een nieuw hart nodig hebben. Zij moeten weten wat de genade van Chris­tus is. Zij moeten weten, dat Hij het gebed wil horen. Zij moeten weten dat het aangezicht van de HEERE tegen degenen is die kwaad doen (vers 17). Zij moeten weten dat de HEERE nabij de gebrokenen van hart is, en dat Hij de verslagenen van geest behoudt (vers 19).

Wij staan aan het begin van een nieuw seizoen. Het winterwerk neemt weer een aanvang. Scholen, catechisaties en verenigingen beginnen weer. Het goede zaad van het Woord van God zal weer worden gestrooid. Dat onderwijs begint thuis. Daarom een opwekking tot jongeren en ouderen om de Heere te zoeken, terwijl Hij nog te vinden is. De tijd waarin wij le­ven is een donkere tijd. De wereld komt met steeds meer kracht op onze jonge mensen aan. Als ouders hebben wij onze kinderen in deze wegen voor te gaan.

Kom en luister! Wie heeft dan lust de HEERE te vrezen, dat allerhoogst en eeuwig goed? Die zijn alleen gelukkig. Die zullen alleen vrede ervaren. Dat wil niet zeggen dat er geen tegenspoeden zijn in het leven van Gods kinderen. Vele tegenspoeden zijn er voor de rechtvaardige! Dat staat ook in deze psalm. Het doopformulier spreekt van 'allerhande ellendigheid onderworpen'. Ziekte, moeite en zorg. Het zijn allemaal gevolgen van de zonde. Vanwege onze ongehoorzaamheid in het paradijs. In Adam gezondigd. Daarom de dood in de wereld gekomen. Ook vandaag zien we het.

De vreze des Heeren... van nature leeft dat niet in ons hart.

Hoe is het bij ons? Leven wij nog zonder God voort? Hebben wij Hem ten diepste niet nodig? Dienen we nog onszelf?

Maar door de genade van de Heilige Geest worden we wedergeboren en vernieuwd. God te missen is alles te missen. Zonder de Heere kunnen we niet meer leven. Wij leren onze zonden ken­nen. Tegen God gezondigd te hebben. Arm van geest. Maar steunend op de genade van de Heere Jezus Christus.

Kom en luister! Een opwekking voor jonge mensen. Zij dragen het teken en zegel van Gods genadeverbond. Het zal eenmaal tegen ons getuigen wanneer wij onze eigen wegen gegaan zijn, zonder te letten op het Woord van God. Ook op onze verenigingen wordt het Woord geopend en gelezen. Dat wij dan zouden komen en luisteren. Dat ons hart moge vervuld zijn met dezelfde liefde tot de kinderen waarmee David vervuld was. Dezelfde liefde waarmee Paulus vervuld was in zijn arbeid. Dezelfde liefde als waarmee Christus vervuld was om zondaren te zoeken en zalig te maken.

Ds. J.B. Zippro