Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan en uw vlees zal u wederkomen en gij zult rein zijn   

 

2 Kon. 5 : 10b

Het is een wonder van Goddelijke leiding en wijsheid dat in het huis van Naäman een Israëlisch meisje als slavinnetje werkzaam was. Hoor haar rijke geloofstaal: “Och of mijn heer ware voor het aangezicht van de profeet die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen”. Ze zegt niet dat Naäman misschien dan genezen zou kunnen worden, maar “dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen”.
Ze verblijdt zich niet in de ellende waarin Naäman gekomen is, ze zegt niet: nu heeft hij zijn verdiende loon. Nee, hoe schittert in deze woorden de genade Gods. Genade maakt gunnend. De Heere gebruikt deze woorden om een heidense generaal bij de Jordaan te brengen om daar genezing te ontvangen. Een weg die Naäman zelf niet uitkoos.
Het is een weg waarin zijn trotse hart wordt vernederd en waarin zal blijken dat al zijn goud en zilver onbruikbaar is. Eerst gaat hij naar Joram, de koning van Israël. Heidenen meenden dat koningen godenzonen waren.
Voor een eenvoudige profeet heeft hij geen oog, die veracht hij. Maar de Heere brengt de zondaar waar Hij hem hebben wil. Joram in Samaria kan hem niet helpen. Die meent dat de Syrische koning een aanleiding zoekt om opnieuw Israël binnen te vallen. Maar er is een alwetende God. Er komt een boodschap van Elisa dat Naäman naar hem moet komen. En wat in normale omstandigheden ondenkbaar is, dat een generaal luistert naar een opdracht van iemand uit het volk, gebeurt hier wel. De nood drijft Naäman naar de profeet, maar achter dit alles staat God. Naäman zal genezen langs de weg van het wonder.
Want als hij dan bij het eenvoudige huis van de profeet arriveert, komt Elisa niet naar buiten om hem met veel eerbetoon welkom te heten, hij spreekt niet allerlei spreuken of bezweringen of bestrijkt de zieke plekken. Niets van dit alles. ‘Toen zond Elisa tot hem een bode, zeggende: ‘Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan en uw vlees zal u wederkomen en gij zult rein zijn’.
Dat is de opdracht. De bode vertelt hem in opdracht van Elisa waar en hoe hij gereinigd kan worden. Maar juist tegen deze twee zaken komt alles in Naäman in opstand. Hij had voor zijn gevoel al veel concessies gedaan en zich al voldoende laten gezeggen. Maar naar de Jordaan gaan en dan zeven maal in dat water ondergaan is te vernederend. Hij wilde zijn genezing graag betalen en had daarom zijn wagen volgeladen met goud, zilver en kostbare kleding.
Naar onze tijd omgerekend had hij meer dan 100.000 euro bij zich. ’Zijn niet Abána en Farpar, de rivieren van Damascus beter dan alle wateren van Israël?’ Stond de Farpar niet bekend als een rivier die genezend water bevatte? En wat is de Jordaan? In de droge tijd niet meer dan een brede sloot! Zo keert Naäman zich af en geeft bevel om terug naar huis te gaan. Als het op deze wijze moet, dan 
maar niet.
Die weg is te smal, die poort naar de genezing is te laag.
Herkent u zich in de gestalte van Naäman? Voor de boodschap van genade en verlossing moeten we ingewonnen worden. Het is een boodschap die tegenstand en verzet opwerpt .
Wij willen wel zalig worden, maar niet langs de weg die de Heere bepaalt. Wij willen onze zaligheid kopen, maar op de markt van de vrije genade geldt: ‘O alle gij dorstigen, komt tot de wateren en gij die geen geld hebt komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk’.
Ingaan in het hemels Koninkrijk kan alleen langs de weg van het worden als een kind. De boodschap klinkt: ‘Ga naar de Jordaan’ en dan moeten eigen overleggingen ophouden.
Wat een wonder dat de Heere vasthoudt. Naäman zal genezing ontvangen en Hij brengt hem op de plaats waar hij zijn moet.
Opnieuw wordt zijn hart ingewonnen om te luisteren naar een liefdevolle raad van zijn ondergeschikten. Welk een ogenblik zal het geweest zijn toen hij bij de Jordaan kwam.
Zie wat hier gebeurt. Nooit heeft de trotse Naäman kunnen denken dat hij op deze plaats ten aanschouwe van zijn knechten zijn decoraties zal afleggen en zijn generaals­uniform zal uittrekken.
Al zijn waardigheden moet hij verliezen en als een melaatse de Jordaan ingaan.
Hier buigt een mens ten volle voor de God van Israël. Zijn koopgeld en wisselklederen blijven in de wagen. Die kan hij niet gebruiken. Als een naakte, een melaatse daalt hij af in de Jordaan, die verachte rivier en doopt zich zeven maal.
Zeven maal sluit het water zich boven zijn hoofd. Wat zal het gestormd hebben in zijn ziel.
Telkens opnieuw moet hij eigen wil verzaken en blijft alleen geloofsge­hoor­zaamheid over. En dan na de zevende keer gebeurt het wonder. ‘En zijn vlees kwam weder gelijk het vlees van een kleine jongen en hij werd rein’.

De genezing van Naäman is een rijk en treffend beeld van de genezing van de geestelijke melaatsheid.
Als we aan de geestelijke kwaal van de zonde en wat dat alles teweeg brengt, ontdekt worden, gaan we alles doen om ervan verlost te worden. We hebben er alles voor over om genezing te vinden en komen tot de Heere met het goud en zilver van onze deugden, beloften, gebeden, boetvaardigheid. We zoeken met ons kleed van vroomheid en ijver de Heere te behagen. Wat is inwinnende genade nodig om te aanvaarden, dat al het onze geen betaling voor de schuld kan zijn. Die prijs is te hoog, die kloof is te diep, die afstand is te groot.
Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; alleen met het kleed van Christus’ gerechtigheid kunnen we voor God bestaan.
Maar dan moeten onze klederen uit en dat willen wij niet.
Wij willen als een net kerkmens, maar niet als een goddeloze, gerechtvaardigd worden. Wij schrijven zo graag de Heere de weg voor, hoewel de zaligheid er alleen is langs de weg van het verlies van al het onze, van het sterven aan eigen ik en het ophouden met redeneren.
We moeten ons kleed van eigen gerechtigheid, uitwendige vroomheid en goede werken verliezen om als een naakte aan Gods voeten te komen, inlevend: ‘Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog, dies ben ik Heere Uw gramschap dubbel waardig’.
Maar deze geschiedenis predikt ook waar alleen de verzoening te vinden is. De Jordaan wijst heen naar het bloed van Christus. Dat bloed, veracht door wereld, vrome godsdienst en zo lang door eigen hart, wordt zo noodzakelijk, gepast en dierbaar. Wondere zaak: in de natuur verontreinigt bloed.
Maar dit bloed maakt zalig, maakt rein, omdat het spreekt van volkomen genoegdoening.
Dat bloed is in staat de schuld te verzoenen, maar ook van de macht der zonde te bevrijden.
Anders gezegd: dit bloed rechtvaardigt en reinigt, heiligt de zondaar. Het wordt beleefd in de weg van sterven aan alles wat Christus niet is en de toepassing van het zeven maal, dat is volkomen, gedoopt worden in het bloed van Christus. Dan geldt zo’n zondaar: ‘Ik zie geen zonde meer in Mijn Jacob en geen overtreding in Mijn Israël’. Lezer(es), de genezing van de ongeneeslijke kwaal van de zonde is alleen te vinden in het bloed van het Lam Gods.
O, de Heere geve door genade te leren waar en hoe zaligheid mogelijk is.
Nee, de Heere stelt geen voorwaarden in het komen tot Hem, maar de weg van verlies en ware boetvaardigheid is wel Zijn methode opdat Hij zo alle eer van de zaligheid ontvangen zal.
Dan wordt hier in beginsel en straks eeuwig het danklied van de verwondering en aanbidding gezongen: ‘Het is door U, door U alleen om het eeuwig Welbehagen’.

Ds. B. van der Heiden