Tot U o HEERE, hef ik mijn ziel op

Psalm 25 : 1 

Wij allen hebben reden om te treuren en te klagen, dat ons gebed menigmaal zo lauw, oneerbiedig en harteloos is. Of kunnen wij van alle onze gebeden zeggen: “Tot U, O Heere, hef ik mijn ziel op”? Is het niet menigmaal slechts een opheffen van de mond? Moet de Heere ook van ons niet klagen: dit volk nadert tot Mij met de mond en eert Mij met de lippen; maar hunne harten houden zij verre van Mij? Och, wat een vreselijk kwaad doen wij menigmaal met ons harteloos en oneerbiedig bidden! Wat hebben wij in ons gebed menigmaal weinig ontzag en eerbied voor de Koning des Hemels! Zegt mij eens mijne vrienden, indien eens iemand voor de koning geroepen werd om verantwoording van zijn kwaad gedrag te doen of om een verzoek aan de koning voor te dragen? Of om pardon en vernietiging van zijn doodvonnis te smeken?
En gij zag zo'n persoon daar eens voor de koning staan, vallende bijna in slaap? Of dat hij met de koning sprekende, gedurig door de ramen keek? Of dat hij onder het spreken met de koning zich bezig hield met naar een vlieg of mug te grijpen? Zouden wij van zo iemand niet zeggen dat het een akelig mens was? Zouden wij geen schande spreken van zijn achteloosheid?

En nu, dan mocht gij waarlijk uzelf bij zo iemand vergelijken, ja nog veel erger. Uzelf als hem bestraffen, terwijl wij niet zelden zo achteloos en oneerbiedig zijn voor de Koning der koningen. Terwijl wij arme zondaren, moesten smeken als eerbiedige boetelingen, om vernietiging van ons eeuwig doodvonnis.

God is een God, bij Wie een vreselijke majesteit is, voor Wie de duivelen sidderen en de engelen hunne heilig aangezicht bedekken. Wij, zondige mensen, zijn zo onverschillig en oneerbiedig en bidden menigmaal zo harteloos. Is dat geen blijk van weinig zelfkennis? Van weinig indruk van Gods hoogheid en geen grond en oorzaak genoeg om bedroefd te zijn en ons voor den Heere te schamen? Kent gij geen ander bidden, dan met zo'n harteloze onverschilligheid? Heft gij wel uw mond maar nimmer uw ziel tot de Heere op ?
Ach! dan is uw toestand tot heden toe ellendig en rampzalig. Maar kent gij bij tijden, een waarachtig opheffen van uwe ziel tot de Heere? Weet gij wat het is bij tijden een biddend geweld te doen op het koninkrijk der hemelen? Weet gij wat het is, om als Jakob, met God te worstelen? Smart het u en doet het u leed, dat uw gebed menigmaal zo harteloos en gebrekkig is? Schuilt gij met al uw onreine bidden in het volmaakte bidden van de groten Hogepriester van het huis Gods?
Och, dan mocht gij wel degelijk daarover treuren en klagen, maar gij moet er uw genadestaat er niet om verwerpen en aan Gods genade niet twijfelen om uw gebrek. Want de beste onder Gods gunstgenoten zal nog gedurig moeten treuren omdat hij niet altijd bidden kan zoals hij gaarne zou willen. Beklaagt dan uw oneerbiedigheid en harteloosheid. Werpt uzelf gedurig aan de voeten van Jezus neder en zucht veel om de Geest der genade en der gebeden, die u alleen tot het gebed in staat kan stellen. En steunt voorts met al uwe beste gebeden, zowel als ook met uw slechtste, op die zeer grote en genadige Hogepriester en Voorbidder in den hemel, die een Voorbidder is en blijft voor degenen die ellendig zijn en Die waarlijk medelijden heeft met al onze gebreken en zwakheden.

Eindelijk laat ons toch opmerken en ter harte nemen hoe noodzakelijk en nuttig het voor ons allen is om met onze dichter, toch veel onze zielen tot den Heere op te heffen. Het gebed is het beste geweer in tijden van benauwdheid. Het is de ademtocht van het geestelijke leven. Het is het beste wapen van een strijdende Christen. Ik heb gelezen van een goddeloze koningin van Engeland, dat zij meer vreesde voor het gebed van John Knox (die een zeer godzalig man was) dan voor een leger van tienduizend man. En dat niet alleen, maar het gebed is ook een beproefd middel tegen de duivel en de zonden. Om dan biddende onze zielen tot den Heere op te heffen is zeer heilzaam en noodzakelijk in al onze wegen, staat en omstandigheden. In de dierbare Bijbel spreekt de Heere tot ons en in het gebed mogen wij, arme zondaren, tot de Heere spreken en dat met de genadige beloften van verhoring.

Gij allen dan, die uwe arme ziel en zaligheid bemint, gij allen die erkent arme schuldenaars voor God te wezen. Gij allen die een Borg voor uw zondeschuld nodig hebt en in wier hart het zorg en belangstelling veroorzaakt, dat eerlang de gordijnen der eeuwigheid voor u zullen worden opgeschoven.

Wulfert Floor (Al de eenvoudige oefeningen deel IV)