En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad, en legde dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een groten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende ging hij weg.

Matthéüs 27 : 59-60

Jozef en Nicodémus hebben Jezus begraven en de godvrezende vrouwen waren door het dode lichaam te volgen eveneens aanwezig bij de begrafenis. Zo nodig ik nu ook groot en klein, jong en oud, man en vrouw, wie u ook zijn mag, om Jezus naar en tot in het graf te volgen. ln het bijzonder nodig ik daartoe mensen die zorgeloos zijn; u die nooit eens of heel weinig aan de dood denkt, op eigen krachten steunt en uw hart zeer vastgehecht heeft aan dit leven. In Psalm 49:12 wordt van u gezegd: welker binnenste gedachten zijn dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht. Jezus' graf roept u luid en duidelijk toe, dat ook u zult sterven, of u nu van geringe of juist van heel aanzienlijke afkomst bent. De dood ontziet evenmin de machtigste koning als de armste bedelaar. Jozef wist dit ook wel; daarom had hij zijn graf in zijn tuin. Dit is een onloochenbare waarheid.

 

De nodiging geldt ook voor u, mensen, die uw lichaam opzettelijk tot een wapen der ongerechtigheid stelt, God en Jezus gedurig onteert en uw naasten schade toebrengt. Zie hoe Jozef en Nicodémus, met daarnaast de vrouwen, geheel anders gehandeld hebben; zij hebben Jezus geëerd en God bovenal gehoorzaamd.

Bedenk toch: aan het heil van Jezus en Zijn verlossing hebben zij die als goddelozen in alle goddeloosheid voortleven, in het geheel geen deel. De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede; zij zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten en haar wateren werpen slijk en modder op, Jesaja 57:20,21. Dat geldt ook voor hen die met hun hart afkerig van Jezus zijn en blijven, evenals voor hen die Gods kinderen vanuit hun vijandige gezindheid op allerlei manieren honen, verdacht maken en belasteren. Deze drie zaken zien we hier duidelijk bij de overpriesters en farizeeën uitkomen. Degenen die nu ook nog zo handelen, zijn in wezen dan ook niet beter dan zij.

Mensen, durft u zo de dood en de eeuwigheid af te wachten? Hoe zal dat toch bij uw sterven aflopen? Als u buiten Christus sterft, kan u niet anders dan in een nare en rampzalige eeuwigheid, in de hel zelf, terneer storten. Wat zal dat ontzettend zijn!

Och, dat u daarom het lichaam van Jezus nog eens in het graf mocht volgen, opdat u uw dagen leert tellen om een wijs hart te bekomen, zoals er in Psalm 90:12 staat. U moet met een levendige indruk in uw hart beseffen en het moet op uw hart drukken en klemmen hoe vergankelijk u bent, opdat u zich mag voorbereiden op de dood en aan het einde van uw leven niet plotseling en onverwacht door haar overrompeld en weggenomen wordt.

Och, had dit eens zo'n uitwerking op u, dat u de Immanuël Jezus mede begraven mocht! Jezus werd begraven in een graf; en zo moet Jezus ook geestelijk begraven worden in mijn en uw hart. Men moet van deze dingen niet alleen maar op een uitwendige wijze horen en daarover spreken, want wie tot de Heere nadert met zijn mond, maar zijn hart ver van Hem houdt, is de Heere een gruwel, Jesaja 29:13. Hij heeft immers lust tot waarheid in het binnenste, Psalm 51:8. Hij eist het hart op, zeggend: Mijn zoon, geef Mij uw hart, Spreuken 23:26.

En zoals Jezus' graf een uitgehouwen steenrots was, zo hebben wij een stenen hart, dat uitgehold moet worden door hartveranderende genade. Daarom moeten wij aanhouden in het bidden tot God, dat Hij het stenen hart toch uit ons wil wegnemen en ons een vlesen hart wil geven, volgens Ezechiël 36:26.

Jezus is in een nieuw graf gelegd. Zo moet de oude mens die wij in ons omdragen, ook gedood en meer en meer ten onder gebracht worden onder een voortdurend gebed met David: Schep mij een rein hart, O God; en vernieuw in het binnenste van mij een vaste geest, Psalm 51 :12. Op deze wijze moeten wij een nieuw hart krijgen.

Waar de vrienden van Jezus eerst het graf moesten openen, zo moet ook de deur van mijn, en uw hart geopend worden, want die is van binnenuit gesloten. Ze wordt geopend door een krachtig werkende en aanhoudende begeerte naar Jezus, opdat Hij toch Zelf daarin zal komen en Zelf zal open doen, omdat de grendels anders te sterk zijn. En ook opdat Hij, als Hij aan de deur van onze ziel komt kloppen, niet tevergeefs zal kloppen, maar wij Hem mogen binnen laten om zo avondmaal met ons te houden en wij met Hem, zoals in Openbaringen 3:20 staat.

Zoals de vrienden Jezus van het kruis afnamen, zo moeten u en ik Hem ook aannemen met de handen van het geloof; want door het geloof wil Jezus in het hart wonen, Efeze 3:17. Zoals zij Jezus zalfden, zo moeten ik en u Hem ook zalven, zodra wij Hem verkregen en aangenomen hebben. En dan moeten we met de bruid uit Hooglied 4:14 nardus en saffraan, kalmoes en kaneel, met allerlei wierook, mirre en aloë, en alle voornaamste specerijen gebruiken. Dat betekent: alle genadegaven die Jezus aan u en mij geeft, moeten we besteden tot eer van God en tot roem van Zijn Naam. Zoals zij een steen voor het graf legden opdat niemand daarin zou binnendringen, zo moeten u en ik ook een steen leggen voor ons eigen hart. Dat betekent dat we in de vreze des Heeren moeten trachten behoedzaam en waakzaam te zijn, opdat de liefde tot de wereld daarin niet binnendringt, maar er des te meer uit geweerd zal worden.

Wij roepen u toe, mensen, het is tijd, ja meer dan tijd, dat u zich tot de Heere bekeert en u met uw hart naar Jezus wendt om nog behouden te worden.

Maar het heil des Heeren en de verlossing door Jezus is voor hen die hun zonden betreuren, veroordelen en ze met een gebroken hart aan Jezus' voeten belijden. Ze begeren heel sterk, dat de zonden maar in het graf verzegeld mogen worden. De verlossing is er voor hen; die in Christus geloven, Hem door een oprecht geloof omhelzen en aannemen en Hem in het hart verzegelen. De verlossing is er voor hen die voortdurend om genade bidden, daarnaar verlangen en er ernstig naar streven om in de gemeenschap van Christus en door Zijn kracht de zonden meer en meer af te sterven. Hebt u voor uzelf kennis aan deze dingen? Dan is de voldoening van de schuld en de volle betaling ervan door Jezus zeker ook voor u! Volk des Heeren, u hebt voor uzelf wel kennis aan deze en soortgelijke gemoedsgestalten en werkzaamheden. Wij roepen u toe: Volg Jezus toch zó ver in het graf dat u zichzelf met Hem mede begraaft, Romeinen 6:4. Want anders kan men niet in de hemel komen. Dit is geen uitwendige begrafenis, maar één waardoor men de boze lusten niet in het eigen hart begraaft - want hoe zou Jezus daar dan in kunnen wonen? - maar in het graf van Christus.

En daarom moet u, denkend aan het lichaam van Christus dat dood was, ook de oude mens in u niet laten leven, maar door de Geest de werkingen van het lichaam doden, volgens Romeinen 8:13. En zoals Christus' lichaam van het kruis werd afgenomen en uw oude mens met Hem door Zijn verdiensten aan het kruis is genageld, zo moet u zich inspannen om Hem er af te nemen door Zijn verdiensten u gedurig toe te eigenen.

Zoals men een natuurlijke afkeer heeft van lichamen die dood zijn, heb zo ook een afkeer van de oude mens om des te meer prijs te stellen op diens begrafenis. Zoals men een dood lichaam weg doet, zodat men het niet meer ziet en het tot vertering laat overgaan, tracht zo ook de boze lusten ver van u weg te doen en te laten verteren. Heb de Heere Jezus toch lief, en tracht de liefde van Hem en tot Hem meer en meer op te wekken. Hij is het zo waardig! Leer van de overpriesters en farizeeën voorzichtigheid, maar gebruik die alleen ten goede, dus vóór Jezus en Zijn zaak. Geen nood, al wordt u hier wel eens met de apostelen voor verleiders uitgescholden, zoals 2 Korinthiërs 6:8 vermeldt, Christus zal u met Hem ook eens verheerlijken. Jezus heeft nu Gods toorn gestild, aan de Wet voldaan, en u als gelovigen met Zijn Vader verzoend. Waarom zou u dan sidderen voor de dood? Het graf is nu geen plaats van naarheid meer, maar een liefelijke slaapkamer om daarin die aangename morgenstond te verwachten. Want - en daarmee sluit ik met Jesaja 57:2: Hij zal ingaan in de vrede; zij zullen rusten op hun slaapsteden, een iegelijk die in zijn oprechtheid gewandeld heeft. Amen.

 Ds. J. Beukelman (1704-1757) (uit: Reveilpreek No. 382)