Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte dat wij Hem zouden begeerd hebben.            

Jesaja 53 : 2b

Jesaja heeft de komst van de Middelaar Gods en der mensen aangekondigd in Zijn nederige geboorte: Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten en als een wortel uit een dorre aarde. Toen begon reeds Zijn lijdensweg. Hij schoot op voor het aangezicht van Zijn Vader. Gods Raadsbesluit zou in Hem tot vervulling komen. In Hem, Die neergelegd wilde worden in de kribbe van een beestenstal. Vervolgens spreekt Jesaja van Zijn geringe toestand. Ontdaan van alle sieraad en luister kwam de Zoon van God op de aarde en wandelde Hij op de aarde. De mens ziet doorgaans naar wat voor zijn ogen begeerlijk lijkt. Hij ziet naar uiterlijke schoonheid en grootheid. Die had Christus niet. Hij werd mens onder de mensen. Niets onderscheidde Hem van andere mensen. Zijn broeders in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Heeft Hij, Die moest zeggen: de vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij Zijn hoofd op nederlegge, enige aantrekkelijkheid? Is er iets in Hem waarom we Hem zouden volgen? Voor de mens van nature niet. Wat heerlijkheid in deze rabbi van Nazareth? Die omging met eenvoudige vissersmannen en Die Zich wendde tot tollenaren en zondaren? Als Hij Zich nu nog had opgeworpen om leidsman van de Joden te zijn in de strijd tegen de gehate Romeinen, dan, ja dan zou men wel anders tegen Hem aangekeken hebben. Dat is voor de Heere Jezus wat geweest, lezers, om als een arme en verachte over de wereld te gaan. Hij, Die het geen roof behoefde te achten Gode evengelijk te zijn. Hij, Die is het begin van de schepping Gods, de Eerstgeborene van alle creaturen, tot Wiens eer en heerlijkheid de wereld en al wat erin is geschapen is. Hij wilde deze weg gaan. Vrijwillig. Om arme zondaren met God te verzoenen. Zo diep wilde hij buigen en Zich vernederen en Zich stellen onder de vloek, die wij door onze zonden in het paradijs over onszelf en over de aarde hebben gebracht.

Nee, een rijke Simon had Hem niet nodig. Maar een arme zondares kwam met de tranen van haar berouw en liefde Zijn voeten nat maken en kussen en met de haren van haar hoofd Zijn voeten afdrogen. Geen gedaante noch heerlijkheid voor mensen, die alles hebben. Geen gestalte om Hem te begeren voor een eigengerechtige Jood. Evenmin voor een goddeloze Griek. Een gekruiste Christus is immers de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid. Voor wie is Hij dan wel begeerlijk? Voor wie heeft Hij dan wel een gedaante en heerlijkheid? Is het niet voor hen, die met hun zonden en ellende aan de voeten des Heeren zijn terechtgekomen? Die met al het hunne zijn omgekomen en als een verlorene hebben leren bedelen om een kruimel genade aan de troon van Gods genade. Die als een doodschuldige, doemwaardige zondaar in zijn geestelijke armoede op alles, zelfs op zijn godsdienst, de dood heeft leren schrijven? Wat wordt Hij voor hen begeerlijk als ze mogen horen dat er in en door Hem vergeving van hun zonden en verzoening van hun schuld mogelijk is. Hij heeft door Zijn armoede een onuitputtelijke rijkdom van genadegaven en schatten verworven. Daarom arme zondaar, tot Wie anders heen, dan tot Jezus alleen? Heeft Hij voor u al gedaante en heerlijkheid? Weet u al de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede zoudt rijk worden? Of hebt u die genade niet nodig? Geldt het van u: Geen gedaante noch heerlijkheid, geen gestalte dat ik Hem zou hebben begeerd. Nee, voor de mens van nature is er niets begeerlijks aan een Mens, Die hangt aan het vervloekte hout met een bebloede rug, terwijl het speeksel van de spuwende soldaten Hem van het aangezicht druipt. Geen wonder als iedereen het aangezicht voor Hem verbergt. Maar waar de Heilige Geest de ogen opent voor zulk Een, Die Zichzelf gaf tot in dood, ja tot in de dood des kruises, wordt Hij alles. Begeerlijk om Hem te kennen, want Hij is het Leven. Begeerlijk in al Zijn weldaden? Dan zie ik in gedachten een arme zondaar staan aan de voet van het kruis. Hij durft nauwelijks de ogen opheffen naar omhoog, want die last van zonde en plagen, niet te dragen, drukt de schouders naar beneden. Toch trekken de liefdekoorden van God naar Jezus. Ja maar: Is dat, is dat mijn Koning, Die aller vad'ren wens? Hij, Die daar hangt aan het kruis om daar als een wetsovertreder de dood te sterven? Ja, dat is Hij. Hij zonder zonde, maar van God tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Al wat aan Hem is gans begeerlijk. Voor u, voor jou ook? Omdat er geen andere Zaligmaker is? Omdat de last van je zonden en schuld je te zwaar is geworden? Omdat er geen andere Naam is onder de hemel tot zaligheid gegeven?

Zie dan, arme van geest en die voor Zijn Woord beeft: Dat is nu uw Koning. Hij was het Die uw ogen opende voor de noodzakelijkheid Hem te kennen. Laat Hem dan de eer en heerlijkheid daarvan ontvangen en de geloofsjubel uw hart vervullen: Schoon ‘k arm ben en ellendig, denkt God aan mij bestendig. Gij zijt mijn hulp, mijn kracht, mijn Redder, o mijn God, bestierder van mijn lot, vertoef niet, hoor mijn klacht.

Ds. W. Silfhout