Welgelukzalig zijn allen die op hem betrouwen                                              

Ps. 2 : 12b

Het geluk van de onderdanen van Christus.

Psalm 2 tekent ons in de eerste drie verzen de opstand en vijandschap van de door koning David overwonnen volken. Die richt zich ten diepste tegen God, Die David liet zalven en hem een rijk gaf, dat zich uitstrekte van de Middellandse Zee tot de Eufraat. De Psalm heeft een uitgesproken Messi­aans karakter, dat vooral in de verzen zeven en acht tot uitdrukking komt. Meer dan David is hier! David was tot koning over Israël gezalfd om een beeld van Christus te zijn. De opstandige heidenen zijn een heenwijzing naar de vijandschap die er van nature leeft in ieders hart tegen God en Zijn Gezalfde.

Wat doet de HEERE? Verteert Hij al die vijandige mensen in Zijn recht­vaardige toorn? Nee, Hij handhaaft Zijn recht, Hij openbaart Zijn toorn, maar Hij is in de Heere Jezus zo onuitsprekelijk goedertieren en genadig. Hij laat Zijn vijanden allen nodigen tot het heil in Christus: "Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne..." Kussen is hier het beeld van het vrijwillig huldi­gen van een koning door zich aan Hem te onderwerpen: " Onderwerp u aan de Zoon". Ieder wordt geroepen. Ieder wordt zo hartelijk genodigd: "Kust de Zoon". Verwerp Zijn nodiging toch niet in bitter ongeloof. Als Hij Zijn liefde uitstort in uw hart, wordt uw onwil verbroken. Hij maakt de geestelijk doden levend. Hoor toch de stem van God: "Kust de Zoon.... Eer en erken Hem toch met heel uw hart. Zoek Hem tot Uw vriend te hebben. Zeg Hem toch, dat u begeert Zijn onderdaan te zijn en Hem te gehoorza­men...."

In de tekst tekent David het geluk van allen die de Heere Jezus door gena­de hebben mogen kussen. Ze komen met deze Koning nooit beschaamd uit. Er zijn geen gelukkiger mensen dan Zijn onderdanen. Ze zijn welgelukza­lig. Allen die op Hem betrouwen, zijn allergelukkigst. Betrouwen is één van de vele namen voor het zaligmakend geloof in de Bijbel. In het oor­spronkelijke woord klinkt een diepe innerlijke gerichtheid van het hart mee. Het gaat in dit woord om iemand die vlucht uit groot gevaar om zich te bergen in een veilige schuilplaats. Betrouwen is toevlucht nemen tot de Heere, schuilen bij Hem, vertrouwen op Zijn bescherming.

Welgelukzalig zijn allen die bij Hem schuilen. Schuilen doen we bij nood­weer. Voor de bui losbreekt, proberen we ergens binnen te komen. Heel ons denken en verlangen richt zich op die schuilplaats. Zo is het ook in gees­telijke zin. Hebt u uw zonden en schuld tegen God gezien? Is uw nood zo groot? Vlucht tot de Heere Jezus, al bedelend, al vragend, al verlangend. De toegang is vrij: Kust de Zoon.... De Heere Jezus is de Schuilplaats voor arme zondaren die tot Hem vluchten. Die Schuilplaats is nog wijd open.

Volk des Heeren, schep moed. Is deze tekst niet in uw leven vervuld? Liet de Heilige Geest u niet zien, dat u in het allergrootste gevaar verkeerde vanwege uw zonden tegen God, die zo volstrekt rechtvaardig en zo volko­men heilig is? U zag iets van Zijn rechtvaardige toorn tegen uw zonden. Het noodweer brak los over uw verzondigde leven. U wist niet waar u zich wenden of keren moest, totdat.... Totdat er Licht viel uit het Woord op de belofte van het evangelie. Die belofte ging open voor uw hart: "Komt her­waarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven" ( Matth. 11:28). Toen zag u de weg der ontkoming in Hem. U zag de Schuil­plaats, de Sterke Toren tegen de vijand, de Vrijstad. Wat gaf dat een har­telijke begeerte naar Christus. Wat werkte dat een honger en dorst naar Zijn gerechtigheid. U had geen voeten om tot Hem te gaan, maar wat kwam er een innerlijk roepen om door God te worden getrokken: "Trek mij, wij zullen U nalopen!" (Hooglied 1: 4a)

U begon te geloven dat niet alleen anderen tot Hem mochten vluchten, maar dat u het zelf mocht doen. U zag de veiligheid van deze Schuilplaats. U zag de gewilligheid van Jezus om zulke zondaren als u te ontvangen. Alle genegenheden van uw hart strekten zich naar Hem uit. U begon op hem te betrouwen. U nam de toevlucht tot Hem. U hebt uzelf zo vrijwillig aan Hem mogen onderwerpen. U begon de Zoon te kussen. U beleed: "Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens" (Joh. 6: 67). U zei:" Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? (Hand. 9:6). U onderwierp u zo gewillig aan Hem. U riep uit:" Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!" (Ps. 18:2).

Hebt u zo de Zoon niet mogen kussen door het geloof? Het oprechte geloof kent een innerlijke drang om zich met de Heere Jezus te mogen verenigen, om geheel bij Hem te schuilen. In Hem is de verberging tegen de vloed van Gods toorn. In Hem alleen is de volkomen veiligheid in leven en sterven. "Welgelukzalig zijn allen...." Let op het woord 'allen'. Wie bij Hem mag schuilen met een sterk geloof, met veel zekerheid, is behouden voor altijd. Maar wie tot Christus de toevlucht heeft genomen met een zwak geloof, al bevende, al smekende, is ook in Hem veilig voor eeuwig. Allen die de uit­gang van het hart in vertrouwen naar Christus kennen, zullen niet beschaamd uitkomen. "De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen" (Klaagl. van Jeremia 3:24).

Ds. M. Golverdingen