Doch Maria bewaarde deze woorden alle te samen, overleggende die in haar hart.
Lukas 2 : 19
Een blik in Maria's Hart
De feestdagen liggen achter ons en het normale leven vraagt weer de aandacht. Heeft het, jongeren en ouderen, nog winst opgeleverd voor de eeuwigheid? Opnieuw klonk de boodschap van het oude, maar nooit verouderde Evangelie van de vleeswording des Woords. De eeuwige Zoon des Vaders heeft ons vlees en bloed aangenomen en is de mensen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Lager kon God niet bukken. De Heere gaf het Liefste wat Hij had: Zijn eigen Kind. Hebt u door genade dat op Kerstfeest mogen bewonderen? Hoeveel keer hebt u dit Evangelie al gehoord? Maar heeft het ook uw hart geraakt? Het is immers nodig dat Christus in ons hart geboren wordt. Eenmaal zullen we voor Hem als Rechter staan. Welk een ontmoeting zal dat zijn. Hier aan Hem voorbijgaan, betekent straks ondergaan in Zijn grote toorn. O gemeente, laat Kerstfeest toch niet eeuwig tegen u getuigen!!
Hoe anders was het met Maria. Zij mocht bewaren. ‘Doch Maria…’. Dat wijst op het voorgaande. De boodschap van de herders heeft veel indruk in Bethlehem gemaakt. Toch lezen we niet dat anderen naar de stal gegaan zijn. Er was verwondering, maar daar bleef het bij. Misschien bent u ook verwonderd en ontroerd geweest. Wees er maar blij mee, want zelfs dat gebeurt niet zo vaak. Ons hart is zo hard. Maar verwondering is nog geen bekering en alle droefheid is nog geen droefheid naar God. We kunnen ons over de Goede Boodschap verheugen, maar nodig is dat ons hart geraakt wordt. Echte verwondering leidt tot vernedering van het hart en legt de vraag in het hart: ‘Waar is de geboren Koning der Joden?’ Wat is kerstfeest zonder het Kind? De inwoners van Bethlehem verwonderden zich ‘maar Maria bewaarde deze woorden alle te samen, die overleggende in haar hart’. Dat is verwondering van een andere soort. Dit is geloofsverwondering. Bij de inwoners is sprake van een voorbijgaande verwondering. De vorm van het werkwoord in de grondtaal wijst op het vluchtig karakter ervan. Maar de werkwoordsvorm van ‘bewaarde’ wijst op een diep, blijvend bewaren, een veilig opbergen. Dat is een zaak van het hart. Het heeft Maria geraakt en dan wordt de boodschap niet meer vergeten. Dan krijgt het Woord een onderwijzende, ontdekkende, bemoedigende, vertroostende of een heiligende kracht. Dat heeft heilige werkzaamheden met dat Woord tot gevolg. Dat zien we ook in Maria’s leven. We lezen in de tekst dat ze bewaarde en overlegde. Er staat eigenlijk dat ze de woorden naast elkaar legde om zo het ene met het andere te vergelijken. Nee, ze heeft lang niet alles begrepen, Ook in haar leven werd het waar:’Gij zult het na dezen verstaan’. De engelen zongen van ‘Ere zij God’, maar dat betekende dat zij alles moest verliezen. Ze zongen van ‘Vrede op aarde’, maar zij moest straks met Jozef en het Kindeke vluchten naar Egypte. Het woord dat Simeon tot haar zal zeggen, heeft ze niet verstaan. Bij het kruis op Golgotha zijn deze woorden werkelijkheid geworden. Nee, ze heeft niet kunnen voorzien dat Gods Weg de weg naar de dood, de Kruisweg zou zijn. Maar, hoewel ze niet alles heeft begrepen, ze heeft met de herders mogen bewonderen. Ze mocht bezig zijn met het Woord, dat van Hem getuigde. Ze heeft de boodschap anders verwerkt als de herders. Zo komt het verschil in leiding Gods maar ook in aanleg en karakter openbaar. Ze kon er eigenlijk niet over spreken en heeft de woorden veilig opgeborgen. Alles was zo heilig, zo teer, zo zoet. Maar in haar hart leefde Davids verwondering:’De lofzang is in stilheid tot U, o God’.
Kent u die overleggingen, vanuit de geloofsverwondering: ‘Gode zij dank voor deze onuitsprekelijke Gave’. Maria had een gezegend plekje aan de kribbe. Al was het een plaats van de diepste armoede, haar ziel was rijk in God, ervarend: ‘Hierin is de liefde Gods geopenbaard dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft’. Wie zal dat verstaan? O, Kerk, zie toch waar Hij ligt en Wie Hij is. Hij ligt in de kribbe en is dè Zaligmaker. De Enige, Die Zich openbaarde Hij toen we alle zaligmakers moesten verliezen. Hij is het die kan verlossen van het grootste kwaad en brengen tot het hoogste goed, dat is de gemeenschap met God. Hij is de vervulling van de Belofte. Hij is de Koning Israëls. Wat een gezegende vrucht van Kerst is het als er een bewaren en overleggen mag overblijven van deze eeuwige, aanbiddelijke soevereine zondaarsliefde. Deze liefde vindt haar oorzaak in het eeuwig Welbehagen Gods.
Gemeente, hebt u zich verwonderd over de boodschap? Of is er zelfs geen verwondering geweest dat God voor een nieuwe weg heeft gezorgd en dat Hij betoont nog met schuldigen van doen te willen hebben. Geen verwondering dat Hij, Die zo onmetelijk rijk was, zo nameloos arm wilde worden? De Heere opene uw ogen voor dit Wonder aller wonderen, Dít is een groter Wonder dan het wonder van de schepping. Smeek toch om ontdekkend licht in uw leven.
Maar verwondering is nog geen vernieuwing. We lezen niet dat er inwoners van Bethlehem naar de kribbe zijn gekomen. O, de Heere beware ons voor het oordeel dat de Heere over Israël uitsprak:’Zij horen naar Uw woorden maar zij doen er niet naar’. Ons hart moet geraakt worden. We moeten leren verstaan waarom Christus de hemel der heerlijkheid moest verlaten. Kerstfeest predikt de onbevattelijke liefde Gods, maar ook de onpeilbare schuld van de mens.
Daar heeft Maria iets van verstaan. Ze mocht zich verheugen in God, haar Zaligmaker. Waar in de beestenstal van ons hart de boodschap weerklinkt: ‘U is heden geboren', daar komt een heilig verwonderen en aanbidden, een biddend werkzaam zijn met het Woord des Heeren. O, hoe zoet kunnen die overleggingen zijn in het leven van Gods kinderen. Dan mogen er aren opgelezen worden op de akker van de meerdere Boaz, ja, dan is er onderwijs in de weg der zaligheid. Dan mogen we zien dat Kerstfeest de hemel en aarde bij elkaar brengt.
Er was in het leven van Maria een tijd geweest om te spreken:’Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man beken’? Er was een tijd om te zingen: ‘Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken en nederigen heeft Hij verhoogd’. Er was een tijd om te luisteren: ‘Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de Vrucht van uw buik’. Nu is er de tijd van bewaren:’Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel'. Maar zulk een bewaren eindigt in:
Die God is onze Zaligheid.
wie zou die hoogste majesteit
dan niet met eerbied prijzen?
Eenmaal zal er geen wisseling van zielsgestalten meer zijn. Dan zal de Kerk Hem eeuwig en ongestoord mogen aanschouwen in Zijn Schoonheid. Is dat uw/jouw toekomst?
Ds. B. van der Heiden