O land, land, land, hoor des HEEREN woord!
Jeremia 22 : 29
In het laatste gedeelte van hoofdstuk 22 van de profetieën van Jeremia verheft de profeet zijn stem tegen Chonia, of zoals we hem kennen uit 1 Kronieken 3: Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda. De vader van Jechonia, Jojakim, was hem reeds voorgegaan in het afwijken van de Heere. Er was weinig meer over van de reformatorische geest van zijn vader Josia. Hij is zo ver gezonken dat hem het diep beschamende verwijt wordt gemaakt dat hij slechts aan pracht en grootheid denkt. Hij zegt (vers 14): Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen en doorluchtige opperzalen. Jechonia gaat in hetzelfde spoor verder. Al zou hij een zegelring zijn aan de rechterhand des Heeren, zo zal de Heere hem toch van daar wegrukken. De koningen van Juda moesten nauw aan de Heere verbonden zijn. Zij waren werktuigen in Zijn regering, maar zij hadden zich die eer onwaardig gemaakt. Het einde van Juda nadert met rasse schreden. Er zal geen afstammeling van David meer op de troon zitten. Zij hebben het zich onwaardig gemaakt. De vraag: “Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land dat zij niet kennen?” wordt niet beantwoord. Het antwoord is echter wel duidelijk: Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen.
En dan komen de woorden van onze tekst: “O land, land, land, hoor des Heeren Woord.” Wat een ernstige oproep. Tot driemaal toe wordt het land opgeroepen. De Heere wil de aanspraak zo krachtig mogelijk maken. Juda zou tot inkeer kunnen komen. Men zou te elfder ure nog kunnen luisteren naar Gods Woord. Hoor toch des Heeren Woord. Luister toch goed. Het oordeel zal zeker komen als u het Woord van Mij blijft verachten en als u niet wilt luisteren naar Mijn vermaningen. Zo wil de Heere het volk nog laten waarschuwen.
Op de omslag van onze kerkbode prijken deze woorden al vanaf het begin. Hoe vaak hebt u ze al gelezen? Of er misschien ook wel heel vaak overheen gelezen. Deze woorden zijn echter niet alleen van betekenis voor het volk en de koning van Juda, maar ook voor ons. U zegt: ja, voor ons land. Want dat land zinkt steeds verder weg in de modder van de ongerechtigheid. Zonden mogen geen zonde meer genoemd worden. De ongerechtigheid viert hoogtij. Het recht struikelt op de straten. Het is waar. En de oproep van de profeet Jeremia mocht doorklinken in onze samenleving. Een land, dat niet wil horen naar het Woord van de Heere, dat Zijn inzettingen met voeten vertrapt, zal niet voorspoedig zijn. Het Woord van God bevat heilzame geboden voor volk en individu. Wat zou het tot een zegen zijn als onze gehele samenleving doortrokken zou mogen zijn van het besef dat in het houden van Gods geboden groot loon is. Het is een oproep die klinkt tot heel Nederland en die onze vertegenwoordigers in de politiek ook mogen en moeten laten klinken.
Het is echter ook een oproep aan ons allen. Want voor elk van ons geldt dat als we niet willen luisteren naar het Woord van de Heere, het ons kwalijk zal gaan. Want in dat Woord heeft de Heere ons Zijn inzettingen en Zijn rechten gegeven. En als we daarin niet wandelen, zal het oordeel onontkoombaar zijn. Kunnen we dat oordeel dan afwentelen door naar de wet te leven? Nee, dat kan een mens niet meer. Dat vermogen zijn we kwijtgeraakt in het paradijs. Geen vlees zal gerechtvaardigd worden door de werken van de wet. Want zelfs onze beste werken zijn met zonde bevlekt en onvolkomen. En de wet zegt: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen.
Maar het Woord van God bevat nog oneindig veel meer. Het wijst ons er op dat overtreders van de wet zalig kunnen worden, omdat Christus de wet heeft vervuld door Zijn lijden en sterven. Daarom roept de Heere: Hoor des Heeren Woord. Want Mijn Woord is een kracht Gods tot zaligheid. Ook daar lezen we vaak en leven we vaak overheen. We horen het Woord wel, maar ook al wordt dat nog met zoveel aandrang aan ons hart gelegd, het gaat over ons heen. De Heere dringt echter aan: o land, land, land. O jongen, jongen, jongen, o meisje, meisje, meisje, man, vrouw: Hoor des Heeren Woord. Wat hebben we toch de verlichting van Gods Geest nodig om het Woord werkelijk te horen. Te horen hoe ellendig het er met ons voorstaat op reis naar de eeuwigheid. Ook hoe we zalig moeten worden door de ene Naam tot zaligheid gegeven. Ook als onze ogen geopend zijn voor onze verdoemelijkheid, lezen we er overheen. Proberen we buiten het Woord, buiten het vleesgeworden Woord om, zalig te worden, maar dat zal niet gaan. Hoor des Heeren Woord. Daarin wordt ons de weg verklaard tot de zaligheid in Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is.
Als de tekst op de omslag van onze kerkbode er toe zou mogen bijdragen dat het Woord des Heeren kracht mag doen in harten van jongeren en ouderen, dan is het al die keren van vermelden meer dan waard.
Ds. W. Silfhout