Doch Ik zoek Mijn eer niet; er is Een, Die ze zoekt en oordeelt. 

Johannes 8 : 50

De Joden zijn met de Heere Jezus in een twistgesprek gewikkeld. Ze beroemen zich er op Abrahams zaad te zijn en nooit iemand gediend te hebben. Ze achtten het niet nodig om verlost te worden van de dienstbaarheid aan de zonde. Ze verstonden het woord niet dat Hij tot hen sprak: Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn. In hun zelfhandhaving meenden ze er genoeg aan te hebben dat ze in natuurlijk opzicht afstammelingen waren van Abraham. Abraham is onze vader, zeggen ze en ze verbinden daaraan de conclusie dat God hun Vader is. En ondanks dat de grote Profeet en Leraar der gerechtigheid hun zelfgenoegzaamheid scherp aan de kaak stelt door te zeggen: ‘Maar nu zoekt Gij zoekt Mij te doden, een Mens Die u de waarheid gesproken heeft, welke Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet.’, verbergen ze hun vijandschap niet, maar onteren zij Jezus door te zeggen dat Hij een Samaritaan is en de duivel heeft.

Een Samaritaan werd beschouwd als een ketter, een vreemdeling, een vijand van de Joden en van hun godsdienst. De Zaligmaker antwoordt dat Hij de duivel niet heeft, maar de eer van Zijn Vader zoekt en dat de Joden Hem als de Gezondene des Vaders onteren.

‘Ik zoek Mijn eer niet’. De Heere Jezus wil daarmee zeggen: Als Ik Mijn eer zou zoeken dan zou Ik u nu door Mijn almacht kunnen verpletteren. Ik zoek nu nog niet herstel van Mijn door u geschonden eer. Maar de Vader zoekt wel de eer van Zijn Zoon. Want de eer van de Zoon is de eer van de Vader. Wat een waarschuwing klinkt er in deze woorden. Niet alleen voor de Joden, ook voor elk mens. Christus zoekt de eer van Zijn Vader in de weg van lijden en sterven. Hij zal de deugden Gods heerlijk opluisteren. In die weg heeft Hij verworven dat eerrovers de ere Gods weer gaan zoeken.

Eerrovers van God zijn we in het paradijs geworden. We wilden als God zijn. Het was Gods eer dat we Hem zouden loven en prijzen als het pronkjuweel van Zijn schepping. Maar door onze diepe val in Adam zoeken we niet meer Gods eer, maar onze eigen eer. De mens is door de zondeval niet meer gericht op God, maar op zichzelf. Het eigen ‘ik’ staat voorop en dat zoeken we te bevredigen.

Voor die zelfzoekers en zelfbedoelers is Christus nu gekomen en gaat Hij de weg van lijden en sterven. Hebt u zichzelf zo al leren kennen door de verlichting van de Heilige Geest? En is dat u tot smart geworden dat u van uzelf niet meer Gods eer kunt bedoelen? Zie, dan is er hier Eén Die door Zijn offerande in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden, degenen die afgezonderd worden om Gods eer te zoeken.

Een wonderlijk woord dat Jezus spreekt: De Vader zoekt Mijn eer. Waarom zoekt de Vader de eer van Christus? Wel, opdat het welbehagen door de hand van Christus gelukkiglijk zal voortgaan en dat die gemeente, die Hij Zich verkoren heeft zal zalig worden en Hem zal eren. Want de Vader zoekt de eer van Christus en in Christus eert Hij de Zijnen. Welk een eer voor eerrovers! Welk een eer voor mensen, die door de verlichting van de Heilige Geest aan de weet komen dat ze niet meer beantwoorden aan het doel waartoe de Heere de mens geschapen heeft. Hij eert de Zijnen, omdat ze van eeuwigheid door Hem verkoren zijn in Christus. Wat een eer voor hen, die moeten belijden steeds weer opnieuw zichzelf te bedoelen, onverbeterlijk zijn en die dat tot hun smart moeten inleven. Wat een eer, dat zij eens de eerkroon zullen dragen en dat alleen om dat eeuwig welbehagen.

De Vader oordeelt ook. Wie Christus blijft verwerpen zal het veroordelend en straffend vonnis van de Vader ondervinden. Als we in onze ongerechtigheid of eigengerechtigheid ons tegen Hem blijven verzetten, dan zal de Vader de eer van Christus zoeken door, zoals de kanttekeningen zeggen: te richten tussen Mij, Christus en u. Een ernstige waarschuwing. God komt aan Zijn eer in het zaligen van zondaren, maar ook daarin dat Hij de ongehoorzamen en goddelozen zal oordelen ten gerichte. Val Hem daarom need’rig te voet en wil van Hem uw wegen leren.

Maar wil dit volk niet bukken
Voor God, ‘t wordt ras verneêrd;
‘t Raakt t’ onder door verdrukken;
Het wordt van ‘t kwaad verteerd;
Daar Hij zelfs prinsen slaat,
Op wie Hij hoon doet dalen,
En die Hij tot een smaad
Doet in het woeste dwalen.

Psalm 107:20

Ds. W. Silfhout