Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
1 Johannes 1 : 9
In bovengenoemde tekst zegt Johannes een genadig God toe, Die mild is in het schuldvergeven. Het mag onze aandacht echter niet ontgaan, dat hij een bepaald volk op het oog heeft met deze toezegging van de schuldvergiffenis. Deze genadeboodschap is uitsluitend voor boetvaardigen. Dat zijn degenen die hun zonden voor God belijden tot een ware schuldvergeving. Een belijdenis met de lippen, zonder meer, kan God niet behagen. Neen, de offeranden Gods zijn een gebroken geest; een verbroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten. Zulk schuldbelijden wordt alleen op de academie des hemels geleerd door de Privaatdocent, de Heilige Geest. Dit schuldbelijden is de reflexieve (wederkerende) daad van de uitgestorte liefde Gods in het hart. Zij geeft God gelijk en stelt de zondaar in het ongelijk. Zij leert God toe te vallen en zichzelf af te vallen. Zij leert de zondaar zichzelf te verachten en te verfoeien voor God. Het inkerend licht van de Heilige Geest maakt Gods Woord waar in het hart, zodat het Woord des Heeren zegt wie we zijn en blijven ook na ontvangen genade en tevens Wie God is en blijft voor de boetvaardige. Kan Hij, de Rechter onzer zielen, buiten Christus niet anders dan op de zondaar toornen, in Christus daarentegen zal Hij Zich over de berouwvolle zondaar ontfermen. Hij vergeeft menigvuldiglijk. Gods trouw en rechtvaardigheid zijn tezamen de Goddelijke garantie voor het waarmaken van deze toezegging.
Welk een rijk woord: de Heere handelt niet alleen getrouw en rechtvaardig, maar de tekst zegt dat Hij Zelf getrouw en rechtvaardig is. Geen woord van hetgeen Hij gesproken heeft zal op de aarde vallen. Dit behoort tot Zijn God-zijn. En omdat Hij rechtvaardig is, zal Hij ook de zonden Zijns volks niet tweemaal straffen. Het volk, door het geloof Christus ingelijfd, zal leren kennen dat God in Christus met de zonden van Zijn volk heeft afgerekend. En wat Hij nu voorwerpelijk in Christus tot stand bracht, zal Hij door de toepassing der genade onderwerpelijk Zijn volk deelachtig maken. Dit betreft zowel de tenietdoening van de zondeschuld (rechtvaardigmaking) als de uitzuivering van de zonde uit Zijn volk (heiligmaking).
Geschiedt de rechtvaardigmaking volmaakt, de heiligmaking daarentegen in dit leven ten dele. Om Christus’wil vergeeft God de zonde en reinigt Hij Zijn volk van alle ongerechtigheid (het ingaan tegen wat God als recht instelde).
In onze tekst laat de Heere horen, Wie Hij in Christus wil zijn voor de boetvaardige. Aangenaam is voor de Heere het kleed van ootmoed en de mantel der boetvaardigheid. Het zijn vruchten van de zaligmakende werking van 's Heeren Geest. Wij willen ons niet vernederen voor God. De Farizeeër kent de gestalte en het leven van de tollenaar. Hij dankt de Heere dat hij gelukkig(?) zo niet is. De tollenaar blijft echter geen vreemdeling van de Farizeeër, die hij in een weg van ontdekking vindt in zijn eigen hart. Al naarmate, dat iemand door genade voor God mag worden wie hij is en blijft, vindt hij redenen te over om zich diep te verootmoedigen voor God en zich aan te klagen bij de Heere. Onmisbaar is dat we onze nood en ellendigheid recht en grondig voor God leren kennen. Zonder deze geheiligde kennis is er geen buigen en bukken voor God. De hoogste stand in het leven der genade. Helaas wordt deze stand al minder waargenomen. Als God wat doet in ons hart, dan gaat altijd schuld voorop. Schuldeigenende genade is Gods gewone weg.
In deze weg alleen wordt de behoefte geboren aan schuldvergevende genade. Denk aan de tollenaar uit de gelijkenis! O God! wees mij zondaar genadig. Eigenlijk staat er: Wees met mij, de zondaar verzoend. Het is onze innige wens en bede, dat de Heere het ons en onze kinderen believe te leren. Wij mogen dan ook de inhoud van ons tekstwoord in de beleving leren kennen.
Ds. P. van der Bijl (1910-1995)