Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop

Openbaring 3 : 20a

Christus zegt dat Hij aan de deur 'staat'. In de grondtekst staat: “Ik heb gestaan en Ik sta nog". Wat wordt met dit ‘staan' bedoeld? In de eerste plaats Zijn tegenwoordigheid door middel van Zijn Woord, door Zijn genadige nodiging. Ten tweede geeft het ook te kennen Zijn bereidheid, Zijn gewilligheid, Zijn genegenheid om de zondaar te ontvangen, ja Zijn bekwaamheid om hem te helpen. Vandaar lezen wij die vriendelijke nodiging in Jesaja 55: "O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk". En in Jesaja 45: "Wendt u naar Mij toe en wordt behouden, alle einden der aarde". Vandaar ook die ernstige betuiging: "Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?", Ezechiël 33 vers 11. En zo ook: "0, dat zij wijs waren! Zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken".
Ten derde wordt met dit 'staan' bedoeld: Gods uiterste lankmoedigheid. Hij blijft aanhoudend staan. Zij geven geen gehoor aan het eerste kloppen, maar de Heere komt steeds weer. Het duurt soms wel jaar op jaar, maar de mensen verzetten zich om de deur te openen, zo lang zij kunnen. Maar als de bepaalde tijd daar is, dan haalt de Heere de Zijnen met kracht over. Zij kunnen Hem niet altijd blijven tegenstaan. Ten vierde wil de Heere met dit 'Ik sta' ook zeggen; "Mijn vertrek is aanstaande". Zulk staan heeft plaats bij de verworpenen. Dan geeft de Heere hen aan zichzelf over, aan hun hardheid, aan hun ongevoeligheid. "Dewijl Ik geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt, Mijn hand uitgestrekt heb en er niemand was die opmerkte, en gij al Mijn raad verworpen en Mijn bestraffing niet gewild hebt, zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten wanneer uw vrees komt", Spreuken 1 vers 24-26.
Wanneer staat Christus aan de deur? Weet u wanneer?
-    Dan staat Hij aan de deur, wanneer Hij aan een volk of aan een land de bediening van Zijn Woord geeft.
-    Ook wanneer Hij onder die bediening overtuiging werkt. Als er bekommering komt: "Hoe zal het met mij gaan? Hoe zal ik zalig worden? Zal mijn einde gelukkig zijn?"
-    Hij staat ook aan de deur als Hij de verslagenen van hart tot Zich nodigt en Zichzelf aanbiedt: "O, alle gij dorstigen komt tot de wateren" en "Wendt u naar Mij toe en wordt behouden…”
-    Dan staat Hij ook aan de deur als Hij Zich gereed maakt om te vertrekken, zoals een  reiziger of wandelaar, die gereed is om weg te gaan.
De Heere Jezus zegt: "Ik sta en klop". Dit is hier geen uitwending kloppen. Zoals de deur in een geestelijke zin bedoeld wordt, zo is het ook met dit kloppen. Er staat van Petrus, toen hij door de engel uit de gevangenis was geleid, dat hij aan de deur bleef kloppende. Het kloppen van Christus is óf uitwendig óf inwendig. Anderen noemen het een roeping uitwendig door het Woord, door de verkondiging van het Evangelie, of inwendig door Woord en Geest.
Dit kloppen geeft te kennen hoe de zondaar van nature is: de deur is met grendelen toegesloten. Weet u met welke grendelen? Met de grendel van onwetendheid, de grendel van vleselijke vooroordelen, de grendel van zorgeloosheid, de grendel van haat tegen de godzaligheid, de grendel van hardheid, van eigenwaan, van inbeelding. Door dit kloppen toont de Heere Zijn moeite en Zijn arbeid, ja, Zijn vasthoudendheid.
Op welke manieren klopt de Heere Jezus? Hij klopt ten eerste door de hamer van Zijn Woord, beide door Wet en Evangelie. Daarin stelt Hij de zondaar voor ogen: zijn ellende, de dood, de toorn en de vloek. "Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen".
Maar ook laat Hij hen zien dat ze door de wet niet gerechtvaardigd kunnen worden. Hij klopt namelijk ook met de hamer van het Evangelie. Aan de ene zijde lokt en nodigt Hij hen. Maar anderzijds bedreigt Hij ook hen die het Evangelie ongehoorzaam zijn. "Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maranatha!", 1 Korinthe 16 vers 22. "Die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem", Johannes 3 vers 36. En: "Ziet toe dat gij Dien, Die spreekt niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die degenen verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veel meer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Dien afkeren, Die van de hemelen is", Hebreeën 12 vers 25. Die 'hamer' doet de bekommeringen over hun staat en eeuwige toestand in hun geheugen blijven. Dit zijn ook allemaal kloppingen. Let er wel op!
De Heere klopt ook door duidelijke voorbeelden van godvrezende mensen. Men ziet dan het onderscheid tussen zichzelf en de vromen. Men ziet dan dat de rechtvaardige voortreffelijker is dan zijn naaste. Dit zijn allemaal wegen en middelen waardoor de Heere werkt.
God klopt ook door zegeningen en weldaden. Dat is ook een 'hamer', wanneer de Heere u zo overlaadt met zegeningen. En ook wanneer God u dan doet zien op de grootheid van de weldaden en daartegenover op uw eigen onwaardigheid, ja, daarop, dat u die weldaden zo dikwijls misbruikt.
De Heere klopt ook wel door 'de hamer' van kruis en tegenspoeden. Let eens op een Manasse, toen hij in de gevangenis in de boeien zat; op de moordenaar aan het kruis; op Nebukadnezar in Daniël 4. Maar de Heere klopt ook inwendig, wanneer Hij krachtig en onweerstaanbaar werkt in het hart van de mens, zodat het verstand van zo iemand wordt verlicht. Hij leert God, zichzelf en het Woord kennen. De wil wordt geheiligd, gebogen en geneigd. De hartstochten gaan uit naar Christus. De honger en dorst gaan in begeerte uit naar Hem. Er komt in het hart een droefheid over de zonde, maar ook een blijdschap in God. Er brandt als het ware een vuur in hen, zoals bij de Emmaüsgangers, die zeiden: "En was ons hart niet brandende in ons, als Hij met ons sprak?" Dan wordt de belofte vervuld: "En Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven", Ezechiël 11 vers 19.

ds. B. Smytegelt