Sta op, HEERE God! Hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.

Psalm 10:12

Psalm 9 en 10 horen bij elkaar. De Griekse vertaling van het Oude Testament heeft beide psalmen samengevoegd tot één psalm. Daarvoor is het verschil tussen beide psalmen echter te groot. Psalm 9 is een overwinningslied van Gods strijdende kerk. In Psalm 10 blijkt, dat die kerk nog midden in de strijd is en vanuit de strijd roept tot de Heere. Daarom twee verschillende psalmen, maar de overeenkomst tussen beide is groot. In beide psalmen wordt gesproken over tijden van benauwdheid en in beide psalmen lezen we het gebed: Sta op HEERE. Psalm 9 is van David, daarom geloven we ook dat Psalm 10 door David is gedicht. Duidelijk blijkt hier, dat Gods kerk op aarde een strijdende kerk blijft. De ellendigen, zo lezen we hier, worden vervolgd en verdrukt. De vijanden loeren op hen. Zij loochenen dat God van Zijn kinderen weet. Zij zeggen: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid (vers 11). Zo kan de duivel het influisteren in het hart van een kind van God, dat de Heere Zijn kinderen vergeet. En het maakt een niet klein deel van de geestelijke strijd uit, dat we zo geneigd zijn de vijand te geloven. Dat Gods kinderen het zeggen, dat de Heere hen vergeten en verlaten heeft. Wat een diepe strijd kan dat betekenen. Dan mochten we wel eens geloven vanuit Gods lieve Woord, dat Hij van ons afweet, maar nu is het alsof de Heere ons vergeten heeft, alsof Hij niet van ons weet, alsof de duivel gelijk heeft omdat God Zich zo verborgen houdt.

Maar weet u wat hier nu zo duidelijk is? Gods kinderen kunnen ondanks die aanvechtingen en twijfelingen toch niet verdragen, dat satan hun trouwe God lastert. Dan nemen ze het toch voor de Heere op. Dan zeggen ze: Heere laat nu eens zien, dat U er bent en dat satan ongelijk heeft. Zo was het bij David. Als dan de vijanden zeggen, dat de Heere Zijn ellendigen vergeet, dan zegt David hier: Sta op, HEERE God! Hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.

Allereerst vraagt David of de HEERE, de trouwe Verbondsgod, wil opstaan. Als iemand ligt of zit te rusten, maar dan weer aan het werk gaat, dan staat hij op. Hij komt in beweging. David zegt als het ware: “Heere, wilt U opstaan om het op te nemen voor Uw ellendigen. Wilt U in beweging komen en de mond van de lasterende vijanden stoppen. Daar is toch Uw eer aan verbonden. Laat de vijand geen gelegenheid hebben om U te lasteren.” Begrijpt u dat gebed? Dan gaat het niet om ons, maar allereerst om de eer van God. Als de eer van God op ons hart gebonden wordt, dan vallen we zelf weg, dan wordt het onze blijdschap als de Heere de eer krijgt. Dat is niet iets uit ons, maar uit de bediening van Christus, Die volmaakt de eer van Zijn Vader heeft gezocht. Daarin lag Zijn blijdschap en Zijn vreugde. En daarom ten diepste ook van de christen.

Vervolgens vraagt David of de Heere Zijn hand wil opheffen. Zijn hand, dat is Zijn macht. Dat is die hand waarvan Psalm 118 zingt: Gods rechterhand is hoog verheven. Dat is die almachtige hand, die de garantie is voor de zaligheid van Gods kerk. Daar doet David een beroep op. Doet u dat ook wel eens? Die hand kan immers uw harde hart breken, uw dode hart levend maken, u rukken uit de macht van satan, waar we van nature allemaal in liggen. Omdat die machtige hand er is, kunnen we zalig worden. David doet in de strijd een beroep op die hand. Dat Gods kinderen die hand toch meer zagen. We letten zo vaak op de macht van satan en zo weinig op Gods hand. Als het geloof die opgeheven hand mag zien, wat is het dan veilig. Die hand houdt door haar kracht Gods volk in stand. Let dan toch in de strijd op die hand!

Tenslotte vraagt David of de Heere de ellendigen niet wil vergeten. We leerden op de catechisatie, dat ellendig uitlandig betekent, balling te zijn, van huis en haard verdreven. Zo leren we ons kennen door de ontdekkende bediening van de Heilige Geest. Ik ben verdreven uit het paradijs, uit het land van de gemeenschap met God. Ik ben God kwijt om eigen schuld. Zonder God en zonder hoop op de wereld. Kent u het uit uw eigen leven? Dan leren we ons als zo’n ellendige, zo’n balling kennen. In die nood kan het schijnen, dat God niet van ons afweet, dat Hij ons roepen niet hoort. Maar zeg het dan maar met David tot de Heere: “Vergeet de ellendigen niet, Heere, vergeet ook mij niet!” Weet het, dat kan de Heere niet, ook al schijnt het soms zo te zijn. Hij kan Zijn ellendigen niet vergeten. Christus werd van God verlaten op Golgotha, toen Hij met de schuld van al die ellendigen hing te bloeden aan het kruis. Hij heeft het werk volkomen volbracht. Hij werd van God verlaten opdat Zijn ellendigen nimmermeer van God verlaten zouden worden. Wat een wonder als Hij dan terugkomt in het bestreden hart en als Hij het zegt: Hier ben Ik! Dan wordt het voor een ellendige zo’n wonder, dat de Heere er toch van weet. Dan is het goed nabij God te zijn. En als de Heere dan dat geloofsuitzicht geeft op Christus, dan mag het geloof geloven, dat God, om Christus’ wil, Zijn ellendigen nooit vergeten zal. Want,

De HEER’ is zo getrouw als sterk,

Hij zal Zijn werk

Voor mij volenden.

Maar altijd weer blijft dan het gebed nodig:

Verlaat niet wat Uw hand begon,

O Levensbron,

Wil bijstand zenden.

 

En daarom: Sta op, HEERE God! Hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.