Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God. Johannes 20 : 17
Christus op de weg van Zijn verhoging
Maria krijgt, nadat zij het onderwijs van Christus heeft ontvangen, ook een boodschap mee voor de discipelen: "Maar ga heen tot Mijn broeders."
Denkt u zich eens in: Christus noemt de discipelen hier broeders, Zijn broeders. Geen vrienden, maar broeders.
Hij schaamt Zich niet hen broeders te noemen. Dat heeft Christus voor hen verworven door Zijn dood en opstanding heen.
Hij heeft hen meegenomen in Zijn dood. Hun dood was Zijn dood. Hun oordeel was Zijn oordeel.
Hij heeft dat gedragen in hun plaats. Hij wilde door de dood heen één worden met hen. Nu zijn zij Zijn broeders en Hij is hun Oudste Broeder.
Door de dood en de opstanding heen worden Gods kinderen broeders van Jezus. Op Pasen zegt Christus tot Zijn volk: Gij zijt Mijn broeders. Gods kinderen worden geestelijke familie van Christus.
Dat is aan dat volk te zien. Broers lijken vaak op elkaar. Zo gaan Gods kinderen op Jezus lijken. Zij leren Zijn voetstappen drukken.
Als zij wenen over de zonde, is dat van Jezus. Als zij heimwee hebben naar God, is dat van Jezus.
Als zij de zonde willen uitroeien om heilig voor God te leven, is dat van Jezus. Zij leren vruchten dragen uit Hem.
Mijn broeders, zegt Christus. Lijkt u op Hem? Weet u, wat Gods kind dan zegt? Ik zou me wel willen leegwenen, omdat ik zo ongelijkvormig ben aan Hem.
O Zoon, máák ons Uw beeld gelijk! Want wat zijn die broeders van Christus ontrouw. Wat zijn ze hardleers. Wat lopen zij hun Oudste Broeder in de weg.
En toch noemt Christus hen broeders. Dat is niet hun trouw, maar Zíjn trouw. Niet hun liefde, maar Zíjn liefde.
Hij noemt hen broeders en blijft hen broeders noemen, hoe ver ze ook mogen afdwalen.
Denk eens aan de discipelen: Er is geen goed woord van die broeders te zeggen. Petrus, Thomas, en noem ze maar op, tóch broeders.
Dat heeft die lieve Koning verworven door Zijn dood en opstanding heen.
Wat is de eigenschap van broeders? Dat zij dezelfde Vader hebben. Hoor dan, wat Christus eraan toevoegt: "Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader en tot Mijn God en uw God."
Nu wordt het wonder nog groter: Mijn Vader is ook uw Vader, Mijn God is ook uw God.
Wat is dus de boodschap van Pasen? De Rechter heeft Zijn toorn afgelegd; de Rechter is Vader geworden voor Zijn volk in Christus; de Borg heeft het kindschap verworven. En nu zal Christus straks opvaren ten hemel om de weg naar die Vader te banen.
Als het geloof in die heilgeheimen wordt geleid, ziet het een geopende toegang tot het hart van die Vader en leert het stamelen: "Abba, Vader." Zalig dat Vaderschap en kindschap te leren kennen.
Mijn Vader is ook uw Vader, en daarom kan Ik hier niet blijven, maar moet ik opvaren om de weg naar de Vader te banen.
En daarom, raak Mij niet aan, Maria!
Vader! Zoveel schuchtere kinderen Gods durven die Vadernaam niet noemen. Die naam is zo groot, zo teer.
In de oefeningen des geloofs leert de kerk doordringen tot dat Vaderschap, dat gaat over Golgotha en door Jozefs hof heen.
Maar toch blijkt uit onze tekst, dat de Heere Vader is van al Zijn kinderen. Ook van dat kleinste kind, dat die naam niet durft uit te spreken.
Al Gods kinderen delen in die vaderlijke zorg en trouw. Die boodschap mag Maria nu brengen aan die vreesachtige discipelen achter hun gesloten deuren: Mijn Vader is uw Vader en Mijn God is uw God! Zeg hen dan maar, Maria, dat Ik hen broeders noem.
Ik noem hen geen dienstknechten meer, want een dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet. Ik noem hen geen vrienden meer, want banden van vriendschap kunnen nog breken.
Ik noem hen broeders, want wij hebben nu dezelfde Vader. Ik heb hen nu gebracht tot het Vaderschap en nu vaar Ik op om hen te brengen tot het Vaderhuis.
Voelt u dan, hoe op Pasen oude banden wegvallen en nieuwe banden worden gelegd?
Maria wilde die oude banden weer terug, maar nu zegt Christus: Raak Mij niet aan! Die oude banden moet u loslaten, dat oude leven komt niet terug.
Een nieuw, een ander, een rijker leven is u bereid.
Dat is de prediking voor de kerk van alle eeuwen. Wat zijn Gods kinderen gelukkig, de kleinen met de groten.
Die kleinen in de genade weten niet eens, hoe gelukkig zij zijn, want het zijn allen broeders en zij delen allen in het vaderlijke Gods.
Zou het dan niet de moeite waard zijn de Heere te leren vrezen? Er is niet één van die broeders en zusters, die terug wil.
In de volzalige God vinden zij alles. En Christus heeft hen gekocht. Zoekt dan de Heere, terwijl Hij te vinden is en roept Hem dan aan, terwijl Hij nabij is.
Hij is nog te vinden. Hij is niet ver van een iegelijk van ons.
Hij heeft geen lust in de dood van de goddeloze. Hij heeft ook uw dodelijke dag niet begeerd. Val toch die God te voet!
Wat een wonder dan, dat Christus tot Zijn discipelen zegt: "Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader en tot Mijn God en uw God." De Borg is niet bij Pasen blijven staan. Dan zou het nog verloren zijn geweest. Hij is voortgegaan op de weg van Zijn verhoging. Hij heeft Zich ook door Maria niet laten terughouden. Hij heeft de weg gebaand naar het Vaderhart en het Vaderhuis. Hij is als de Voorloper ingegaan. Daarom zal de kerk Hem volgen. Nu zal niets de gemeente Gods nog uit het Vaderhuis kunnen houden.
Ds. J.J. van Eckeveld