Gij zult mij het pad des levens bekend maken.
Psalm 16 : 11
Psalm 16 is werkelijk een gouden en daarmee kostbaar kleinood. Het vertolkt de diepten van de verborgen omgang met de Heere. Steeds dieper en inniger spreekt de dichter over de verborgenheden van de godzaligheid. Door een onwankelbaar geloof dat door de liefde werkzaam is, vertolkt hij zijn hoop op God en op het toekomstige eeuwige leven in Gods gunst en gemeenschap. Die hoop gaat over dood en graf heen. Hij spreekt van die hoop in een rijke beeldspraak. Daarmee is echter niet alles gezegd.
Deze Psalm is een psalm die spreekt van het werk van Christus, Die de dood verslond tot overwinning en het leven onsterfelijk aan het licht bracht. Wiens ziel in de hel niet is verlaten en Die geen verderving heeft gezien, zoals in het tiende vers wordt verwoord. Petrus heeft de Joden herinnerd aan dit woord en daarmee de opstanding van Christus verkondigd (Hand. 2:24). Hetzelfde deed Paulus in Handelingen 2:34. Daarom kon David in vers 11 zingen: Gij zult mij het pad des levens bekendmaken. Dat is, zegt de kanttekening: Mij in dit leven geleidende en daarna opwekkende uit de doden en voerende in de heerlijkheid des eeuwigen levens. Dat is de vrucht van Christus’ opstanding. “De Heere is waarlijk opgestaan”. Hij geeft het leven weer aan doodschuldigen. Hij vervulde de gerechtigheid die redt van de dood en schenkt die aan onrechtvaardigen. Hij doodde de dood en stond op als de Levensvorst. Daarom is Hij ook het onderpand van de zalige opstanding van al degenen die Zijn verschijning hebben liefgehad.
Elk mens heeft een weg door dit leven. De weg van de een loopt door het dal van moeite en zorgen; het pad van de ander meer over de bergen van voorspoed. Vaak wisselen die wegen zich af. Ons pad is echter uitgestippeld, bij God bepaald en bekend. “Uw onbepaalde wetenschap, kent mijne weg van stap tot stap”. Dit pad bedoelt David echter niet. Hij wijst op het pad des levens.
Leeft de mens dan niet? Wij leven toch totdat wij sterven? Zeker, maar dat leven wat wij voor leven houden, is niet anders dan een gestadige dood. Want we hebben in het paradijs de dood verkozen boven het leven. Omdat we in ons verbondshoofd Adam gezondigd hebben tegen God en dagelijks tot onze zonden en schuld toedoen, daarom liggen we allen onder het oordeel van de dood. We zijn gescheiden van Gods gunst en gemeenschap. We moeten dit leven eenmaal verlaten. Als God niet ingrijpt in ons leven zullen we bij het sterven de eeuwige dood aandoen. Onze wegen zijn wegen en paden des doods.
Nu verkondigt Psalm 16 ons dat er een God is, Die ons het pad des levens bekendmaakt. Voor die mensen die wandelen op het pad van de dood naar de eeuwige rampzaligheid heeft God een weg geopend die naar het leven leidt. Dat leven is verworven door Christus en door Hem aan het licht gebracht. Omdat Zijn ziel in de hel niet is verlaten geweest. Daar heeft Christus de strijd aangebonden met de machten van de dood en de dood verslonden. Hij is de Overwinnaar over de dood en het graf. Hij kon zeggen: “Ik ben de Opstanding en het Leven”. God de Vader heeft Zijn lieve Zoon opgewekt op de morgen van de opstanding. Christus heeft het offer tot betaling van de straf op de zonde, tot verzoening van de schuld van de zonde gebracht. Een volkomen offer.
Op de morgen van de opstanding heeft de Vader met de opwekking van Zijn Zoon betoond een volkomen genoegdoening te hebben gevonden in Zijn offerande. Christus is de Leeuw uit de stam van Juda. Als de Overwinnaar over de dood, hel en graf kwam Hij uit het graf. Hij liet de klederen van de dood achter Zich in het graf en als de verheerlijkte Zoon van God verscheen Hij aan Zijn discipelen met vele gewisse kentekenen, zijnde van hen gezien en sprekende tot hen van de dingen van het Koninkrijk van God. Hij is het Die leven verwierf en leven schenkt en onderhoudt.
Nu zegt David: “Gij zult mij het pad des levens bekendmaken”. Dat bekendmaken bestaat niet in het louter verstrekken van informatie, maar een bekendmaken door God de Heilige Geest. Die is het Die in alle waarheid leidt. En de Heilige Geest brengt tot een wetenschap die het hele bestaan doortrekt en ons geheel in beslag neemt. Die kennis werkt de Heilige Geest door ons levenspad dat we van nature gaan, te verlichten, zodat we gaan zien dat we op de verkeerde weg zijn, op de brede weg, die leidt naar het eeuwige verderf.
Want of ons pad nu vol moeite en verdriet is, of meer over rozen gaat, het einde daarvan is de dood. Daar eindigt de brede weg. Maar het pad des levens is de smalle weg, de nauwe weg, waarvan de Heere Jezus gesproken heeft in Matthéüs 9. Die weg is Hijzelf. “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven”.
Waar onze ogen gesloten zijn voor de werkelijkheid dat we reizen op de brede weg, hebben we er geen behoefte aan dat God ons de weg des levens bekendmaakt. Maar daar waar het werkelijkheid wordt elk ogenblik aan het einde van ons levenspad weg te kunnen zinken in de eeuwige rampzaligheid, wordt de bede geboren: Heere, leer Mij de weg door U bepaald. Dat pad des levens maakt de Heere bekend door Zijn Woord. In de prediking van het Woord wordt ons de weg aangewezen: Dit is de weg, wandelt in dezelve. Wat een wonder dat er een weg is. Van onze kant afgesloten en toegesloten. Nooit meer een weg terug tot God door onze inspanningen en onze goede werken. Een weg geopend vanuit de hemel naar de aarde. Een wonderlijke weg, die liep door de baarmoeder van Maria naar het kruis van Golgotha. Een wonderlijke weg die door een mens nooit was uit te denken, maar die God heeft geopend door naar Zijn welbehagen Zijn geliefde Zoon te zenden naar deze wereld. Hoe kom ik op die weg? Door wedergeboorte. Is het al uw/jouw vraag geworden: Heere, leer mij Uw weg? Omdat we zelf de weg niet meer weten? Omdat alles ons bij de handen wordt afgebroken? Omdat we na ontvangen genade het soms ook niet meer weten hoe de weg is? Omdat onze zonden het gezicht op de weg verduisteren? De Heere maakt het pad des levens bekend. Hij doet dat op Zijn tijd en wijze. En waar we door Gods Geest ontdekt zijn aan onze rampzalige weg, zal Hij het pad des levens bekendmaken. Voor het eerst in het leven als de weg wordt geopend in Christus en ook bij vernieuwing als alle hoop ons geheel ontvalt en Hij Zichzelf gaat wegschenken in Zijn opstandingsheerlijkheid, zoals Hij dat deed bij de Emmaüsgangers. Dat is De Weg.
Laten we met ons verzondigd leven maar niet proberen zelf een pad uit te denken. Zelf een weg banen naar God is onmogelijk. Buiten Christus, Die de Weg is, is God een verterend vuur. De heerlijkheid van het zalig hemelleven, zoals verwoord in het vervolg van het elfde vers: “verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk”, moge die heilige drang verwekken om niet te kunnen rusten totdat we mogen weten in Hem begrepen te zijn, Die tot Martha sprak: Ik ben de Opstanding en het Leven. Die in Mij gelooft, zal leven, al ware Hij ook gestorven.
Ds. W. Silfhout