Is er een handvol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon
Psalm 72 : 16c
Geliefde Gemeente,
U ontvangt hiermede thans het eerste nummer van onze eigen kerkbode, die naar ik hoop, in een behoefte zal voorzien, zoals die op de voorlaatste ledenvergadering is uitgesproken.
U zult hierin regelmatig informatie vinden omtrent de gehele gang van zaken in ons kerkelijk leven, mededelingen over de zieken in de gemeente, over de arbeid van de verenigingen, van de diverse commissies, van de vorderingen van de kerkbouw etc. etc. Het is betamelijk hierin telkens ook ’n korte meditatie op te nemen, die zoveel mogelijk van mijn hand verschijnen zal en wel naar een bepaalde orde. Vaak nam ik me voor, zo weinig mogelijk te schrijven of in het geheel niet.
Door de verschijning van onze kerkbode word ik echter geroepen regelmatig een meditatie te plaatsen. Het is een grote verwaardiging, wanneer het de Heere behaagt een in zichzelf onbekwaam schepsel te roepen en te stellen in Zijn dienst.
Gewis, het is een ondoorgrondelijk wonder van Gods goedertierenheid om in Zijn Naam het eeuwig Evangelie te mogen uitdragen en de onnaspeurlijke rijkdom Zijner genade in Christus op deze aarde te mogen bekendmaken.
Wie is tot deze dingen bekwaam?
Ja steeds meer worden we gewaar, dwaas en blind te zijn in ’s Hemels wegen en van ons zelf tot die gewichtvolle arbeid nimmer in staat te zijn.
Immers, om het Woord des Heeren te ontvouwen naar de mening des Heiligen Geestes en naar het hart van Jeruzalem, behoeven wij altijd weer de voorlichting van die Geest en de inleiding in al die Waarheid Gods.
Het is mijn innige verzuchting of ’t de Heere behagen moge ons dit in rijke mate te willen schenken, opdat ook deze eenvoudige arbeid met Zijn onmisbare zegen wordt gekroond en het vele zielen tot heil mag strekken, bij de aan- of voortgang.
De Heere verzoene daartoe alle gebrek en tekort, dat er ongetwijfeld in gevonden zal worden, in het dierbaar bloed Zijns Zoons, hetwelk reinigt van alle zonden.
Onze grootste blijdschap zal zijn, dat de Heere er Zelf in door verheerlijkt mag worden, waartoe Hij toch alles gewrocht heeft.
Het bovenafgedrukte tekstwoord is genomen uit Ps. 72, de koningspsalm.
David de man naar Gods hart, is er de maker van, die hem aan zijn zoon Salomo opgedragen heeft tot een persoonlijk gebruik, alsmede tot gebruik in de samenkomst der Gemeente.
't Opschrift van de Psalm leert ons dat, 't luidt immers: "Voor Salomo".
Ongetwijfeld is ook deze Psalm 'n Messiaanse psalm d.w.z. dat de inhoud spreekt van Christus en van Zijn Koninkrijk, waarvan Salomo en diens Rijk slechts 'n schaduw, 'n afbeelding was.
Dit blijkt uit de beschrijving die David daarvan geeft in deze Psalm; hij spreekt over de gerechtigheid van Christus (vs. 2,3,4), over de kracht Zijner goddelijke genade (vs 5), over Zijn grote goedertierenheid (vs. 6,7) en om maar niet meer te noemen over de bestendigheid van Christus' Rijk tot in alle eeuwigheid (vs. 7,15) met de zegen, die eraan verbonden is voor de Heidenen (vs. 17).
Als vrucht van Zijn Regering zullen middellijk door de prediking van het Evangelie velen worden toegebracht tot de Gemeente die zalig zal worden.
Dat is in korte woorden de hoofdinhoud van de belofte in ons tekstvers. Is er 'n handvol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon.
Wat is 'n 'handvol? Dat is maar heel weinig. Daarin is geen roem. Wel in de vrucht. Die zal groot zijn. Die zal ruisen als de Libanon. Temeer, waar die zo wonderlijk verkregen zal worden. Op de hoogte der bergen, waar geen vruchtbaarheid gevonden wordt, integendeel, die zo onvruchtbaar zijn van zichzelf, waar immers noch dauw noch regen valt.
Wonderlijke belofte, lezers! In Ps. 65 lezen we:
de velden zijn bedekt met kudden
de dalen zijn bekleed
met halmen die van zwaarte schudden
en lonen 's landmans zweet
Hier echter gaat het over onvruchtbare berghoogten en daarvan zal de vrucht ruisen als de Libanon. Voorwaar: God doet wonderen, Hij alleen.
De Schepping is 'n goddelijk wonder; de onderhouding der schepselen tevens.
Maar 't grootste wonder is toch wel, dat 'n mens tot God bekeerd wordt; dat 'n vijand een vriend wordt, een hater van Christus een liefhebber en volgeling.
Dat wonder wil de Heere middellijk werken. Een handvol koren, zegt de tekst. Een gering middel zal overvloedige vrucht dragen; 't zal een groot geluid en geruis van zich doen horen, gelijk de cederen op de Libanon, als de wind ze heen en weer schudt. Letterlijk gold dit beloftewoord 't Rijk van Salomo. Geestelijk ziet het op de komst en de uitbreiding van het Rijk van Christus, de meerdere Salomo.
Christus zelf is als 'n handvol koren gezaaid op de hoogten der bergen, op de hoogten van Moria en Golgotha.
Wiens natuurlijk oog zou in Hem, die als 'n hulpeloos kind in de beestenstal van Betlehem geboren werd, die als 'n machteloze aan het kruis geklonken werd, zonder gedaante of heerlijkheid, de Verlosser van gans verloren zondaren, de Zaligmaker der wereld hebben aanschouwd en bewonderd? Hij toch is als 't stervende tarwegraan op de top van Calvarië in de aarde gevallen, opdat Hij veel vrucht voortbrengen zou. En om Zijnentwil zal 'n ontel'bare schare uit Joden en Heidenen eenmaal de stem der aanbidding en dankzegging opheffen.
Gode tot eer en het Lam, dat hen kocht met de prijs van Zijn dierbaar bloed.
't Is waar, het beginsel van Zijn Rijk was zeer gering, doch hoezeer is het toegenomen, verhoogd en vergroot, tot elks ontzetting en verwondering, naar het woord der profetie (lees Jes. 11:1 - Jes. 44:1 - Ez. 17 : 22,24).
Een handvol koren.
Dat mag ook van al de onderdanen van Koning Jezus gezegd worden. In Gods Woord worden zij immers ook bij koren of tarwe vergeleken (zie Matt. 3:12). In het bijzonder wel de martelaren onder Gods Volk. Hun sterven voor de Naam en Zaak des Heeren is geweest als 'n handvol koren op de hoogte der bergen, van schavotten, brandstapels en kruispalen, want 't bloed der martelaren is 't zaad der Kerk.
Een handvol koren.
Dat mag bijzonder wel gezegd worden van de middelen, waardoor de Heere Zijn genade krachtig verheerlijkt in de harten van zondaren tot eeuwige zaligheid. 't Evangelie der genade Gods in Christus toch is zulk 'n handvol koren, dat uitwendig wel gering is in de ogen en in de achting van de natuurlijke mens, 't Woord des Kruises moge dan degenen die verloren gaan 'n dwaasheid zijn, doch het is 'n kracht Gods tot Zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst de Jood en dan de Griek. 't Behaagt de Heere door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven zullen. En hoe weinig en gering dit ook zij, 't is als 'n handvol koren, rein en zuiver.
De dichter van Psalm 112 zingt ervan.
Des Heeren Woord is rein en al Zijn spreken is zuiver
Als 't allerreinst metaal
Nooit is het schuim van 't zilver zo geweken
Schoon in den kroes gelouterd, zevenmaal.
En zoals nu het koren met kracht uit de aarde spruit, als 't gezaaid is (niet als 't in de schuur bewaard wordt), zo ook 't Woord des Heeren, als 't gepredikt, gelezen en gehoord wordt. 't Is als de regen en de sneeuw die van de hemel nederdalen en derwaarts niet wederkeren, maar de aarde doorvochtigen en maken dat zij voortbrenge en uitspruite, zaad geve den zaaier, brood den eter, alzo zal des Heeren Woord zijn; het zal niet ledig tot Hem wederkeren. 't Brengt overvloedige vrucht voort, 30-60-100-voudige vrucht bijzonder onder de Heidenen, die zullen komen en toevloeien tot 's Heeren goed. En daarin zal de Heere verheerlijkt worden waar in de veelheid der onderdanen des Konings Heerlijkheid bestaat, terwijl het gebrek van volk eens vorsten verstoring is.
Die heerlijkheid van Koning Jezus nu voorzegt David in de tekst. Zal het nu goed zijn, lezers, dan mag deze handvol koren in ons persoonlijk leven niet ontbreken.
Ons natuurlijk hart is hoog, dor en dood, geheel onvruchtbaar. Daarvan is nimmer enige vrucht te verwachten als enkel vruchten des doods. Uit U geen vrucht in der eeuwigheid. Dat is alleen mogelijk door 'n wonder Gods, door de krachtdadige en onwederstandelijke arbeid van de Heilige Geest, die de akker van ons hart maakt tot 'n weltoebereide aarde, opdat het levend zaad van Gods Woord daarin vallen zal en nederwaarts wortelen zal schieten om ook opwaarts vruchten voort te brengen, des geloofs en der bekering waardig!
Dat is bij de mens onmogelijk doch mogelijk bij God.
Ziet het in de geschiedenis van Gods Kerk. Gering was haar begin, doch hoe velen zijn in de loop der eeuwen reeds toegebracht tot de stal der schapen. 't Evangelie der genade van Christus heeft rijke vrucht gedragen (Col. 1 :6) en zal vrucht blijven dragen, tot aan de voleinding der eeuwen toe, totdat de volheid der Heidenen zal zijn ingegaan en alzo geheel Israël zalig geworden zal zijn.
Niemand verachte dan de dag der kleine dingen.
Een handvol koren.
Dit is ook de prediking onder ons, geliefden. Gering, vol gebrek. Dit is ook de uitgave van ons blad.
Doch geve God, dat het koren zij, rein, zuiver, hoe gering en gebrekvol dan ook. Een klein begin, dat uit God is, zal naar Zijn belofte en onwankelbare trouw in Christus Jezus een heerlijk einde geven.
Uw beginsel, zo lezen we in Job 8:7, zal wel gering zijn, maar Uw laatste zal zeer vermeerderd worden.
Ook de hoogste ceder op de Libanon is begonnen als 'n geringe spruit. 't Mosterdzaadje is 't minste van alle zaden die op de aarde zijn, doch wordt het meeste van alle moeskruiden en maakt grote takken, alzo dat de vogels des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen. Welnu, hiermede heeft Christus Zelf 't Koninkrijk Gods vergeleken.
Voorwaar, een handvol koren, maar de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon. Dat ruisen van de Libanon is iets geweldigs, iets indrukwekkends, het stemt de mens die 't hoort tot stille bewondering als de wind de machtige cederwouden op 't Libanongebergte doet ruisen. Nu, zo zal het koren en de most des Evangelies der goddelijke genade de jongelingen en jonkvrouwen sprekende maken tot verheerlijking des Heeren, in de lofverheffingen Godes, in de roem in vrije gunst, die eeuwig God bewoog.
Geve dan de Heere, terwijl er nog koren gezaaid wordt, dat 't in ons aller leven vrucht mag dragen, tot heerlijkheid Gods en tot zaligheid onzer ziel.
Al is 't beginsel klein en gering in ons leven. Dat we 't niet verachten. De Heere zal Zijn hand tot de kleinen wenden, die uit de nood van het hart tot de Heere roepen in het verborgene, die hun stille tranen uit de innige droefheid over de zonden en het gemis van de Heere in het eenzame uitstorten. 't Is als een handvol koren. Maar de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon. Dat heeft de Heere beloofd en Hij is 'n Waarmaker van Zijn woord, hoe onmogelijk 't van onze kant ook zij om ooit vrucht te dragen.
De Dichter zingt zo veelbetekenend.
Het woeste veld vangt zelfs die droppen.
Zijn weide blijft niet droog.
Dat kleine, dat geringe werk, waarin toch de wind des Geestes is, door de wereld en Godsdienst wel veracht, door Gods kinderen zelf menigmaal verdacht, zal toch uitgroeien tot de volkomenheid, waartoe al Gods Volk na dit leven geraken zal.
En dan, ja dan zal volmaakt de roem van vrije genade eeuwig ruisen als de cederen op de Libanon.
Dan zal, na zoveel gunstbewijzen,
't Gezegend heidendom
't Geluk van dezen Koning prijzen,
Die Davids troon beklom.
Geloofd zij God, dat Eeuwig Wezen,
Bekleed met mogendheen;
De HEER, in Israël geprezen,
Doet wondren, Hij alleen.
Wijlen Ds. G. J. van den Noort